Waarom was de Tempel verguld?

Waarom was de Tempel verguld? Tot Gods eer?

Als we het in het Oude Testament hebben over de tempel, bedoelen we de tempel die Salomo bouwde in Jeruzalem op de berg Moria [=berg Zion]. De heilige berg waar Kaïn en Abel al offerden, waar Noach dankte voor zijn redding en waar Abraham zijn zoon Isaäk zou offeren.

David had de Here God gevraagd een vast huis voor Hem te mogen bouwen, als centrum van de offerdienst aan God; maar omdat hij teveel bloed aan zijn handen had, mocht hij het niet maar wel zijn zoon Salomo.
Het verslag van de bouw en de beschrijving van de Tempel staat in 1 Kon.6 [resp. 2 Kron.3].
En de inventaris iets verderop in 1 Kon.7 [resp.2 Kron.4].

Was de hele tempel verguld? Dat zou je denken als je 1 Kon.6:22 leest:
Zo overtrok hij het hele huis met goud, totdat heel het huis voltooid was.
Maar bedoeld is heel het heilige en het heilige der heiligen, de kamers binnen de tempel. De tempel zelf was opgetrokken uit natuursteen, al in de groeve zó uitgehouwen, dat de stukken al pasklaar waren. Van binnen was alles van hout, bekleed met goud. En de deuren ook.

De details van de tempel zijn maar globaal weergegeven, en aangezien op de tempelberg niet gegraven mag worden tot nu toe, zijn er ook geen archeologische opgravingen die meer duidelijkheid geven. Maar dat het een schitterend gebouw moet zijn geweest waarvan de roem zich verspreidde over het Midden-Oosten is wel duidelijk. Van heinde en verre kwamen de bezoekers Jeruzalems tempel bekijken, zoals de koningin van Sheba.
Wat ook duidelijk is: al zijn de maten vele malen groter, de indeling van de tempel is hetzelfde als die van de tabernakel, de tent die dienst deed tijdens de reis van het volk Israël naar Kanaän. Mozes had daarvoor heel nauwkeurig van God Zelf de instructies gekregen. 480 jaar vóór de tempelbouw. Daarom is het goed te kijken naar dit verplaatsbare tenthuis van God om meer te weten over het vele goud in de stenen versie.

In de tabernakel is elk voorwerp, de kleur, de details, het materiaal…. alles een heenwijzing naar de Here Jezus. Daarom wil ik graag nu uitgebreid uitleggen hoe de tabernakel er uit moest zien naar Gods bevel. En als we dan het Nieuwe Testament gaan behandelen, zullen we hier steeds op teruggrijpen.
Wat we hier beneden in de tabernakel zien, zijn voorbeelden van wat we in de hemel zien.

Nadat Mozes alle voorschriften aan het volk had getoond (Hebr.9:20-24), besprenkelde hij de tabernakel en alle voorwerpen voor de eredienst met bloed. En dan staat er:
Volgens de wet wordt inderdaad vrijwel alles met bloed gereinigd, want als er geen bloed wordt uitgegoten, vindt er geen vergeving plaats… Het is dus noodzakelijk dat de afbeeldingen van wat zich in de hemel bevindt [dus alles in de tabernakel] op die manier gereinigd worden. En wat in de hemel zelf is moet met een nog betere offergave gereinigd worden.
Dát offer is de Here Jezus Zelf.
Maar in de tijd van de tabernakel is de Here Jezus nog niet gekomen, dus moet daar nog steeds geofferd worden om gereinigd te worden, van zonden bevrijd.

Nu gaan we kijken naar de tabernakel die door de 12 stammen van Israël werd omgeven en meegedragen door de woestijn.

God wil bij de mensen wonen, dat wilde Hij toen, nu nog, en in de toekomst (Openb.21:1-3).
Hij bepaalt het heiligdom waarín en het ontwerp vertelt Hij Mozes in de 40 dagen op de berg Sinaï (Ex.24:18). En zo maakt Mozes het exact. (Ex.39 en 40)

Van buiten zie je een linnen omheining, van ongeveer 50×25 m. Daar binnenin staat het ‘huis’ dat 5 m. hoog is en boven de omheining uitsteekt.
De omheining is van wit linnen, wat reinheid en heiligheid uitstraalt te midden van al de grauwe tenten van het volk. Het is 2.5 m. hoog, dus je kunt er niet overheen kijken. Dit betekent dat het eigenlijk verboden toegang is voor ieder mens om naar God te gaan. Want we steken te vuil af bij de reinheid van Hem. Dat besef is nodig voordat je een toegang vindt.

Want die is er: een brede, prachtige poort. Dat wilde God zo: een wijde deur, 10 m. breed! Zó graag wil Hij dat we komen. En die poort is prachtig gemaakt in de kleuren die verderop worden uitgelegd. Zo lokt die deur om naar binnen te gaan, zelfs een kind kan het, want de deur bestaat uit een gordijn. Het zegt: blijf niet buiten staan, ook niet als je bang bent voor God omdat je iets fout hebt gedaan.
Daar sta ik als Israëliet voor de poort. Ik heb een offerdier meegebracht. Beschroomd ga ik de poort door naar de voorhof. Daar sta ik in het volle licht van God, ik zie Zijn huis.
Een priester vraagt wat ik kom doen. Ik stamel: Ik heb gezondigd… God moet mij wel straffen….
Ja, zegt de priester, dat klopt. Maar kom maar mee naar het brandoffer-altaar [=slachtplaats]. De plaats van verzoening.
God is rechtvaardig en moet rechtvaardig oordelen en dus mij straffen. Maar mijn dier is toch onschuldig??? Ja, zegt de priester weer, maar een schuldige kan nooit de plaats innemen van een andere schuldige. U hebt uw leven verspeeld door de zonde. Dus u moet sterven of een onschuldige plaatsvervanger! Leg nu je hand op de kop van dit dier. Zo erken je dat jij schuldig bent en dat dier onschuldig. God ziet dit als een éénmaking met het offerdier. Het lam wordt dan schuldig en als het sterft, ben jij weer vrij en onschuldig zoals het lam was.

De priester legt het dode dier op het altaar van 2,5×2,5 m. [5 el. 5 is het getal van de verantwoordelijkheid.] Zo heb je 5 geboden voor de mens tegenover God + 5 geboden tegenover de naaste. Ook de 5 vingers aan je handen dragen verantwoordelijkheid: doe ik er het goede mee? En de 5 tenen aan je voeten: gingen die naar waar God mij wilde hebben? En…. hebben we met onze 5 zintuigen God gediend?
Het altaar heeft 4 zijden; dat is het getal van de aarde. Er waren 4 kleuren in de poort, er zijn 4 evangeliën die vertellen van de Heiland die kwam voor de aarde.
De hoogte van het altaar van 3 el [1,5 m.]: het verwijst naar de goddelijke drie-eenheid: de Vader gaf Zijn Zoon (Joh.3:16), de Zoon gaf Zichzelf (Gal.2:20). Hij offerde Zich in de kracht van de Heilige Geest (Hebr.9:14).

Het altaar is gemaakt van acaciahout. Hout is het beeld van de mensheid, uit de aarde gegroeid. Het hout was overtrokken met koper, beeld van kracht zo groot dat het het vuur van Gods oordeel kan weerstaan. Lees Numeri 16 over de koperen wierookvaten! Koper = God.
Hout en koper tegelijk: Wie is menselijk en goddelijk?

Op het rooster in het brandofferaltaar brandt mijn lam in Gods verterend vuur…. Hij neemt mijn plaats in…. De rook stijgt op naar de hemel. En op de 4 hoeken van het altaar zijn 4 horens met bloed bestreken, alsof het altaar de handen naar God keert en het offer aanbiedt!
Ik ben weer vrij! Maar telkens zal ik terug moeten komen, het gaat maar door….!
De priesters zijn er nooit klaar mee. Er staan ook geen stoelen in de voorhof. De priester stáát, letterlijk, in zijn dienst. Er is geen rust… in het Oude Testament!
(in de tempel is het brandofferaltaar 10×10 m. en 5 m. hoog!)

Verderop in de voorhof staat een wasvat, gevuld met water. Daar moet de priester zich wassen voordat hij het heilige binnen mag gaan. Ik mag daar niet naar binnen. De Levieten ook niet, die helpen op de voorhof met voorwerpen dragen. Alleen de priesters, nakomelingen van Aäron, mogen hier binnengaan. Maar telkens moeten zij zich reinigen, omdat ze anders God niet rein kunnen dienen.
De maat van het wasvat is niet opgegeven; zou dat kunnen zijn omdat de genade die ons reinigt onmetelijk groot is? God is altijd weer bereid te vergeven. Zijn liefde is onbegrensd.
Het wasvat is van koper, gepolijst.
(in de tempel is een koperen zee van 10 rijdende waterbekkens van 1,5 m. hoog + 2 grote zuilen)

En nu kijken we naar het huis van God: Gebouwd van grote planken, 10 el hoog en 1,5 el breed. 48 stuks van acaciahout. Overtrokken met goud, het edelste metaal. Goud werd het meest begeerd. Goud spreekt van de hemel, van de heerlijkheid van God. Daarom wil God veel goud in zijn huis. Opnieuw hier hout en goud!
En die planken van Gods huis behoren ‘schouder een schouder’ te staan, een eenheid te vormen. In de tabernakel werden ze bijeen gehouden door 4 dwarsbalken in gouden ringen.

Het fundament moet stevig zijn: God laat het uit grote blokken zilver bestaan. Elk van 40 kg. Met een gat erin. 2 blokken onder elke plank met pinnen die in de gaten rusten.
Mozes had dit zilver gekregen toen hij alle mannen van 20-50 jaar moest tellen; wie meegerekend werd en dus bij God geteld, moest een halve sikkel zilver betalen. Dat heette geld van de verzoening. Nu rust dus elke plank op het verzoeningsgeld.
Het huis van God blijft staande door verzoeningsgeld, losgeld.

Ik zou nog wat over de kleuren waarin geborduurd werd vertellen, bij de openingspoort en bij de ingang van het heilige en heilige der heiligen waar geborduurde gordijnen hangen.

  • Wit hadden we al gezien: is de reinheid en gerechtigheid.
  • Hemelsblauw / blauwpurper spreekt voor zich: de hemel.
  • Purper was kostbaar en hoort bij koningen en universele rijkdom.
  • Scharlaken komt alleen voor in verbinding met Israël.

Als de priester zich gewassen heeft, gaat hij door de [2e opening] voorhang, weer een gordijn, naar het heilige. Daarna [3e opening] kwam de voorhang die het heilige der heiligen afsloot. Alleen de hogepriester mag daar 1x per jaar komen, op Grote Verzoendag. Alle gordijnen waren in de net genoemde kleuren geweven en de laatste had ook nog cherubs. Deze waken voor Gods heiligheid. Hierachter is de ark, waar God woonde.
Deze gordijnen zijn 5×5 m., dus smaller en hoger dan de toegangspoort. Als we begin volgend jaar spreken over de dood van Jezus en hoe toen het voorhangsel scheurde, hebben we het over het laatste gordijn waarachter de ark stond en God woonde. Wat het precies betekent, vertellen we dan.

De tentkleden: 4 stuks. Van binnenuit kijkend eerst een kleed in de 4 kleuren met cherubs. Dat kleed roept je toe: hier woont de Heilige! Het was 20×14 m. Daarover een kleed van geitenhaar van 22×15 m. Het 3e is van roodgeverfde ramsvellen. Rammen werden geslacht bij het inzegenen van een priester. En het 4e kleed is van zeekoehuiden.

Wat staat er nu in het heilige?
De kandelaar: Het licht, want God is licht. Van goud uit 1 stuk gedreven, geslagen dus. 7 lampjes gevuld met olijfolie, het beeld van de Heilige Geest. Met elkaar verbonden om licht te geven. Elk lampje moest door de priester goed verzorgd worden, het dode stukje van de pit er afgehaald.
(in de tempel staan er 10 van)
De tafel met toonbroden: 12 broden voor de 12 stammen van Israël op de tafel van goud en hout! De tafel draagt de broden en het licht van de kandelaar schijnt er op. Ook toen de 10 stammen van Israël weggevoerd werden naar Assyrië, bleven er 12 broden liggen, want ze horen bij elkaar.
Rond de tafel een gouden omlijsting zodat de broden niet zouden kunnen vallen. Zo beschermend… En elke sabbat werden de broden door de priesters gegeten en weer vervangen door nieuwe. Het brood is voedsel voor de priesters. (in de tempel staan er 10)
Het reukofferaltaar: Hier wordt alleen maar heerlijk geurwerk op verbrand. Een aangename geur voor God.

De kleding van de hogepriester is vol betekenis:
Bovenkleed/efod: In de 4 kleuren maar met goud, de hemelse heerlijkheid.
2 schouderstenen: Op elke steen 6 namen, samen de 12 stammen van Israël. Op de schouders gedragen!
Borstschild: Vierkant met 12 aparte gegraveerde edelstenen, elke naam apart, schitteren in de hemel. Gedragen op het hart.
Urim en Tummin: Licht en volmaaktheid, zo kon de hogepriester in belangrijke beslissingen raad geven. Waren het edelstenen?
Mantel: Van hemelsblauw purper met onderaan granaatappels en belletjes; je moet vrucht opleveren en geluid; oftewel werken en woorden/bidden.
Hoed: van fijn linnen met een gouden plaat: Heilig de Here.

En dan is achter het volgend voorhangsel het HEILIGE DER HEILIGEN met:

De ark:Deze staat in de volmaakte kubus-ruimte van 5x5x5 m. (in de tempel 10x10x10). Daar is alles van goud! Hier woont God, de ark is zijn troon. De ark is van hout met goud overtrokken, zowel van binnen als buiten; met een gouden verzoendeksel erop met gouden cherubs.
IN DE ARK:
De wet met de 10 geboden
De kruik met manna (het voedsel voor de pelgrimsreis)
De bloeiende amandelstaf van Aäron (staat in Num.17). De amandelboom bloeit het eerst van alle bomen en spreekt dus van nieuw leven.

De cherubs op het verzoendeksel, dat 1x per jaar met bloed werd besprenkeld, zijn bewakers van Gods troon. Hun vleugels uitgespreid, het gezicht naar de verzoening gekeerd. Want eens zal de Here Jezus het volmaakte offer brengen met Zijn bloed, en zal er van genade geleefd mogen worden – en hoeven geen offers meer gebracht te worden.

Dan mogen we de open deur ingaan, denken aan het offer dat gebracht werd voor ons, en zo vrede vinden met God, gereinigd het gouden huis ingaan met al zijn rijkdom, en achter de voorhang in het hemels licht komen.
Dáár wil God verloren zondaars hebben…..!