Jesaja, Jeremia, Daniël

Dit deel staat in het teken van ‘De profeten’.
Profeten die ‘als beroep’ profeteerden, traden op vanaf ± 800 voor Christus. Het zijn mensen door God geroepen om Gods toekomst door te geven aan het volk of koningen. Goede profeten zijn een boodschapper van hun Opdrachtgever: “Zo spreekt de Here…”.
In de koningentijd waren er veel ‘profeten’ die hun eigen woorden verkondigden.. Dat zijn valse profeten. Profetie dient ook om de weg des Heren voor te bereiden, zoals Johannes de Doper later zal roepen: “Bereid de weg des Heren…”
Meestal spreekt een profeet woorden over de zonde van de koning of het volk, en kondigt een oordeel daarover aan. Als daar bekering op volgt, mag er ook weer heil verkondigd worden.
Soms ziet profetie al heel ver in de toekomst. God wil graag het Adventsverlangen opwekken en levend houden. Zo blijven we ons bewust dat het God is die onze weg uitstippelt; gaan we de andere kant op, worden we gecorrigeerd. Blijf je volharden in het kwade, dan volgt straf.

In het vorige deel is verteld dat het met Israël niet goed afliep. In 721 voor Christus wordt Israël door het grote Assyrische rijk ingelijfd en de mensen gedeporteerd. Dat betekende meteen, dat het rijk Assyrië nu een buurland was geworden van Juda!

 

Jesaja

In díe tijd woonde de Judeeër Jesaja in Jeruzalem. Hij behoorde tot de hogere kringen, want hij kwam vaak aan het hof onder koning Hizkia die Achaz in 720 opvolgde. Hij is een geleerde man met een rotsvast geloof. Zijn naam betekent “De Here verschaft heil / de Here is redding”.
En God roept deze Jesaja tot profeet in 737 voor Christus, het sterfjaar van koning Uzzia. Er was toen nog voorspoed, maar al in de 1e hoofdstukken lezen we over de verdorven toestanden in het rijk geworden Juda en Jeruzalem. En daar zal oordeel op volgen. Dat ligt aan henzelf, niet aan God! Er staat in hoofdstuk 5 een prachtig minnelied, over met hoeveel zorg God voor Zijn volk gezorgd had; als een tuinman voor zijn wijngaard:
De Here had een wijngaard op een vruchtbare heuvel. Hij spitte hem om, zuiverde hem van stenen. Beplantte hem met de allerbeste wijnstokken, zette er een beveiligingstoren bij. Hij maakte een perskuip klaar. Alles met zoveel zorg en liefde, dat hij goede vruchten mocht verwachten.
Maar…. hij bracht wrange vruchten voort…
Gods volk doet niet wat er verwacht mocht worden…Met het lichaam ging men rondom Gods altaren, maar met hun hart was men bij Baäl en Astheroth. Ze combineerden het:
Baäl wat en de Here wat.
Dan komt koning Achaz op de troon die de Baäldienst zelfs tot staatsgodsdienst weet te verheffen. En Jesaja moet hem oproepen niet op Assyrië te steunen, maar op God.[Hoofdstuk 7 en 10]
Maar het is tevergeefs. Achaz wordt daardoor vazal van Assyrië.

Zo profeteert Jesaja in de eerste 39 hoofdstukken tegen koningen van Juda en de heidenvolken rondom en in de tijd van het beleg van Jeruzalem door Sanherib. (alles beschreven ook in 2 Koningen 18:13- 20:19) Dit deel van het boek van Jesaja noemen we dan ook het Assyrische deel, Assyrië heeft de macht in die tijd.

Als daarna Babel opkomt, spreken we bij de volgende hoofdstukken over het Babylonische deel. Over deze verandering zal meer verteld worden als we het over Daniël hebben. Dit 2e deel heet ook wel ‘het troostboek’ voor de Joodse ballingen, die 100 jaar na de deportatie van Israël eveneens worden weggevoerd. Troost, omdat er een tijd van herstel en genade aangekondigd wordt.
GOD LAAT ZIJN VOLK NIET LOS. God geeft Zijn volk een Redder, de Knecht van de Here. Door Hem zullen velen weer rechtvaardig worden. Er zal een heilstijd aanbreken. Want God wil een volk dat leeft tot eer van Zijn Naam. Een volk dat mag delen in de heerlijkheid die Hij geeft.

Uit dit deel nu een paar passages over ‘De knecht van de Here’.
“Wie is die knecht toch?” vroeg ook de kamerling uit Morenland aan Filippus (Hand. 8:35).
En Filippus ging tegen hem spreken over het evangelie van Jezus….

 

Jesaja 42:1-7

De Here Zelf stelt Zijn Knecht voor aan het volk: “Zie, mijn knecht.” Mijn vertrouwde gunsteling. Die Ik behoed voor struikelen. De knecht die Ik hartelijk liefheb. Mijn Geest heb Ik op Hem gelegd, zodat Hij in staat is Zijn opdracht uit te voeren. Hij openbaart Mijn recht (= Hij onderwijst hoe het werk van God en zijn volk voort zal gaan). Hij zal er voor zorgen dat het heil uitkomt. En Hij zal niet met rumoer en geweld optreden, maar zacht en mild. Vol liefde voor het volk in nood. Het gekrakte riet oprichten, de kwijnende lampenpit aanwakkeren. En niet alleen Israël wacht op dat onderwijs, ook de kustlanden, heel de wereld, al weten ze ’t zelf niet. Wie de Knecht leert kennen, beseft dat Zijn werk het antwoord is op hun verlangen naar verlossing.”
De Here God is Almachtig, maar de Knecht krijgt ook een hoge plaats. God zal dóór Hem Zijn doel bereiken. Alleen in Hem kan het volk God ontmoeten. Hij is de belichaming van het verbond met het volk. En ook is de Knecht het licht voor de volken, Hij is het licht dat in de wereld schijnt. (Joh. 1:4-9) Wie gebonden is in duisternis, wordt bevrijdend verlicht.

 

Jesaja 49:1-7

Hier stelt de Knecht Zichzelf voor en Hij richt zich tot heel de wereld. Al van vóór de geboorte is Hij voorbestemd tot Zijn taak. (Luc. 1:26-38). Het is dus Gods werk die Hem deze ambtsnaam gaf, en niet Zijn verdienste. God stelde Hem aan om doeltreffend het woord van Zijn Zender te verkondigen. En God heeft Hem gezegd: “In jou zal Ik Mij verheerlijken.”
Deze Knecht is de man naar Gods hart. De Knecht is teleurgesteld over het resultaat dat Hij in Israël behaalt. Het volk Israël wilde niet luisteren. Maar God laat het niet mislukken. Hij had Hem van de moederschoot af gevormd…. Als Israël niet wil gered worden, maakt God een nog groter plan. Dan zal Gods Knecht een licht voor de volken zijn, voor heel de wereld! De Here bemoedigt de Knecht, die wordt veracht, verafschuwd. Maar Hij zal weer verhoogd worden. Ieder zal onder de indruk zijn. Om Hem zullen zij God prijzen.

 

Jesaja 50: 4-9

Ook hier is de Knecht aan het woord. Hij vertelt dat de Here Hem heeft toegerust voor het profetisch ambt om de moede te kunnen ondersteunen. (Matt. 11:28) Hij wordt opmerkzaam gemaakt, zodat hij Gods Woord zal spreken. En de Knecht heeft dat vrijwillig aanvaard terwijl Hij wist dat er tegenstand zou komen, lijden, slagen, spugen. Maar God staat Hem bij. Wie zich tegen Hem keert, zal ten onder gaan. Wie luistert naar de Knecht, mag vertrouwen op God. De keus is: vóór of tégen de Knecht, die Zijn taak volbrengen wil. Het ‘Uw wil geschiede’ is Zijn levensmotto en Hij blijft standvastig. Hij vertrouwt op de Here. Ja, wie zich verzet tegen de Knecht, krijgt te maken met diens Heer. Wie Hem aanklaagt, wordt veroordeeld.

 

Jesaja 52:13-53:12

Hoe veracht ook, uiteindelijk zal Hij verheerlijkt worden, tot verbazing van velen. Iedereen zal van verbazing opspringen, koningen zullen stil zijn van sprakeloze verbazing en eerbiedige bewondering. (Fil. 2:5-11 en Hebr. 2:5-10). Het zal een zo ongelooflijk iets zijn, dat het ver uitstijgt boven wat er ooit op aarde is gebeurd. Het gaat alle menselijk denken te boven.
Nadat de Here gesproken heeft, spreekt de profeet het volk toe. Jesaja lijkt hier haast ooggetuige.
De Knecht was zo erg toegetakeld, en toch zegt de Heer: de Knecht zal voorspoedig zijn. Ja, Zijn arbeid zal vrucht dragen! – Wie kan nu zoiets geloven. Hij lijkt zo teer. Een man van smarten. Ziekelijk van uiterlijk. En toch nam Hij, alleen, al onze zondestraf op Zich. Vrijwillig al onze last gedragen en op gewelddadige wijze gedood. Terwijl Hij recht had op vrijspraak, want Hij had geen schuld. Hij gaat door de hel, maar Hij zal aan Gods rechterhand op de troon zitten. Zijn volk wil niet horen wat de Knecht zegt – maar de Knecht geeft Zichzelf als offer om het volk met God te verzoenen. En Zijn werk zal zaad geven: Zondaren worden kinderen van God. En na Zijn dood zal het werk nog doorgaan. De Knecht die Gods plan openbaart, maakt dat werk werkelijkheid!

Eeuwen tevoren al mocht Jesaja helder en duidelijk spreken over de komst van Christus en de betekenis van Zijn werk. De komst van Christus ligt in het verlengde van de terugkeer uit ballingschap. Hier bij Jesaja moet de belofte van de Messias nog vervuld worden. Maar Gods plan gaat lukken.

Hij maakt het waar: Beloofd is beloofd!

 

Jeremia

Jeremia, de man van Anathoth, is de man die ellende gezien heeft. Hij heeft de ondergang van de Godsregering onder het gericht van God Zelf moeten aankondigen, en ook aankijken. En vooral dat laatste bestempelt hem als een ongeluksprofeet. Jesaja stierf vóór de ellende losbarstte, maar Jeremia moest de lijdensbeker mee drinken. Hij profeteerde ongeveer van 627-586 voor Christus; dus tot de val van Jeruzalem = het begin van de ballingschap. Zijn naam betekent: de Here grondvest.
In het begin van zijn optreden leek er juist een mooie tijd in Israël aan te breken. In deze zelfde tijd zat in Juda koning Josia op de troon. Hij was godvruchtig, in tegenstelling tot zijn vader Amon. Als Josia Gods Wetboek vindt, en erin gelezen heeft, treedt hij als hervormer op (2 Kon.22,23). Hij herstelt de theocratie. Gaat het volk nu weer massaal naar de Heilige Berg? “Nee’, zegt Jeremia, “ik mocht de innerlijke gesteldheid van het volk zien door God, en het is allemaal ongerechtigheid.” (Jer. 2:22) En dat bleek al snel waar te zijn. Nauwelijks had God aan Josia Zijn toezegging vervuld “dat hij in vrede zou ontslapen en het kwaad niet zou zien dat kwam”, of de ware gesteldheid van het volk brak door de schijnvroomheid heen. De 4 zonen van Josia weken van het pad van hun vader af, en het ging hard achteruit. Ze riepen nog wel “Des Heren Tempel zijn wij!”, maar leefden in zonde.

Jeremia houdt voortdurend Juda de zonden voor ogen. Op deze manier kunnen ze niet onder Gods oordeel uit! Zo zullen ze onder Babel moeten buigen. Het gaat wel om de eer van God! En als God dan om Zijn regering te redden, volk en Tempel onder het gericht brengt, wat zou Zijn profeet dan daar tegenin kunnen brengen? Het oordeel is ontzettend! Dan is er geen hoop meer. Dan kan Jeremia alleen maar verderf en ondergang aankondigen. En niet alleen voor Juda, maar voor heel Gods zaak. Babel zou triomferen, daarmee het rijk der duisternis. Gods werelddoel zou mislukken….!

Maar nee! Dat kan niet. Jeremia mag ook een weg van verwachting wijzen. Hoe slecht iedereen ook handelt, God effent een weg naar de toekomst. God is een God van leven, niet van dood en verderf.
“Er komen dagen, spreekt de Heere, dat Ik voor David een rechtvaardige Spruit zal doen opstaan. Hij zal als Koning regeren… men zal Hem noemen: de Heere onze gerechtigheid.” (Jer.23:5,6). “Zie, Ik zal een nieuw verbond sluiten….zij zullen Mij tot een volk zijn…. voor eeuwig zal er niets meer worden weggerukt of afgebroken”. (Jer.31:32,33,40) En ook in Jer. 33:14-26 wordt gesproken over de komende Verlosser, Jezus.

Opmerkelijk is dat de profeten Jeremia en Ezechiël gelijktijdig hebben geprofeteerd over de verwoesting van Jeruzalem: Jeremia in Jeruzalem, en Ezechiël in Babel.
Maar het boek Jeremia heeft nog 2 opvallende dingen:
Het 1e is dat het boek niet alleen profetieën bevat, maar ook heel veel geschiedenis beschrijft.
Het 2e is dat God Jeremia soms opdraagt een symbolische daad te verrichten!

Hij krijgt de opdracht een linnen gordel te kopen en om te doen. Dan moet hij ermee naar de Eufraat gaan en hem in een rots verbergen. Dagen later zegt de Here: ga nu naar de Eufraat en haal de gordel weer op. Als Jeremia de gordel vindt, blijkt deze vergaan, ondeugdelijk geworden. En dan moet hij verkondigen: “Zo zegt de Here: net zoals dit sieraad bedorven is, zo zal ik Juda en Jeruzalem (dat een sieraad voor God moest zijn) ook zijn glorie ontnemen. Dit boze volk, dat weigert naar Mijn woorden te luisteren, dat hun verharde hart volgt, andere goden achterna loopt om hen te dienen en zich voor hen neer te buigen – dit volk is net zo onbruikbaar geworden. Zoals de gordel dicht bij de man hoort, zo wilde Ik Juda en Israël als een sieraad hebben, tot roem, lof en glorie van Mij. Maar ze hebben niet geluisterd.” Ja, dan kun je alleen maar wegdoen….
(Jer.13:1-11)

In Jer. 19 staat ook zo’n voorbeeld. Jeremia moet een aarden kruik kopen, en dan eerst het volk toespreken en hun de zonden voorhouden, en dan de kruik stukbreken en zeggen:”Zo zegt de Here, zal Hij ook de stad verbreken.” Het is mooi dat zelf na te lezen.

Babel heeft Jeruzalem belegerd, en koning Zedekia van Juda heeft Jeremia bij het paleis vastgezet, omdat hij profeteerde dat Babel de stad zou innemen. Dan spreekt God tot hem: “Je neef komt naar je toe met de vraag of jij de akker op je geboortegrond wilt kopen. Jij hebt lossersrechten [net als Boaz dat had t.o.v. Ruth], doe dat dan.” Jeremia twijfelde voordat God dit zei daarover, want wat moet je als gevangene met land? Nu gaat hij erop in, en heel erg officieel. Hij zegt tegen zijn schrijver/helper:
Neem deze 2 officiële documenten en leg ze in een aarden vat zodat ze lang bewaard blijven.
Want de God van Israël zegt: Er zullen weer huizen, akkers en wijngaarden gekocht worden in dit land. En dan dankt Jeremia God. Want dit vat met de koopbrieven zal als bewijs mogen dienen:
IN DE DIEPSTE NOOD GEEFT GOD DE HEERLIJKSTE BELOFTEN.
Aan het eind van dit hoofdstuk wordt het nog 2x herhaald: Akkers zal men kopen in het land Benjamin, de omstreken van Jeruzalem, de steden van Juda. Want
Ik zal een keer brengen in hun lot, luidt het Woord des Heren. En: beloofd is beloofd! (Jer. 32)

 

Daniël

Het boek Daniël bestaat uit 2 delen: een historisch deel en een profetisch deel, elk van 6 hoofdstukken. Nu eerst het historische deel, het profetische deel komt aan bod in het volgende cursusdeel.

 

Daniël 1

Het is rond 600 voor Christus. In het kleine koninkrijk Juda [uit Juda zou via David de grote Verlosser geboren worden], was Jojakim koning, maar schatplichtig aan de farao van Egypte. Hij is nog maar 3 jaar aan de macht als koning Nebukadnezar van Babel Egypte verslaat en zo de wereldmacht Babylonië ontstaat en deze vervolgens Juda aanvalt. [zie 2 Kon. 24:1-6] God had dat ook aangekondigd via de profetie van Jesaja (Jes.39:1-8). Jeremia had Jojakim ook gewaarschuwd (Jer. 25:1-10), maar hij luistert niet. Dan stuurt God Nebukadnezar daadwerkelijk om te straffen en het volk weer te zuiveren. God leidt de wereldmachten.

Een deel van de tempelschatten wordt meegenomen. En:
De allermooiste en begaafdste Israëlische jongens van koninklijke bloede en uit de hoge adel worden meegenomen om in Babel dienst te gaan doen aan het hof na een 3 jaar durende opleiding.
Dit is het begin van de ballingschap die de profeten hadden aangekondigd. En Daniël (14 jaar) en zijn 3 vrienden worden ook meegenomen. De 4 zijn bijzonder trouw aan de wetten van Israëls God. Door God zijn ze daar heen geleid om in het brandpunt van de wereldmonarchie adventsgetuige te zijn van Gods eeuwig koninkrijk. En al meteen komt er verschil aan het licht:
Als de koning hen voorschrijft dat ze een dagelijks rantsoen van de koninklijke tafel moeten krijgen, vragen ze hen alleen op een dieet van groente en water te zetten. Want het koninklijk vlees zou waarschijnlijk bestaan uit offervlees voor de afgoden, en de wijn voor plengoffers voor de afgoden. Ze krijgen toestemming met eerst een proeftijd. En na 10 dagen zien ze er gezonder uit dan alle andere meegevoerde jongens.
Hun geestelijke ontwikkeling is onovertroffen. God geeft hen uitzonderlijke kennis en wijsheid van de geschriften en de taal. [Babel wil zich altijd een naam maken, zich groot maken. Daar heb je taal bij nodig. Dat zag je met de torenbouw van Babel, dat zie je bij deze ballingschap en komt ook later in Openbaring terug waar Babel als de grote hoer getekend wordt]
Dat de jongens elk een andere naam krijgen heeft ook te maken met macht: je krijgt je naam van wie gezag over je heeft. Jojakim heette eigenlijk Eljakim, de farao van Egypte veranderde zijn naam!
En Daniël wordt begiftigd met de gave van uitleg van gezichten en dromen. God geeft hem telkens de verborgen betekenis, onthult die [zoals vroeger Jozef aan het hof in Egypte].
Na 3 jaar gaat de koning hen met vele anderen ‘keuren’, en de koning merkt dat deze 4 jongens wel 10x zoveel weten dan de geleerden in heel het rijk! En dus mogen zij dienst gaan doen in het paleis. En Daniël blijft er in ieder geval tot Cyrus = Kores aan de macht komt en de ballingschap wordt opgeheven; dat is het moment dat ze terug mochten gaan naar Jeruzalem en de tempel herbouwen. Het is het jaar van Gods belofte van Jer. 25:11,12. Daniël heeft dus mogen zien: God houdt Zijn woord!

 

Daniël 2

Koning Nebukadnezar krijgt een droom. Het maakt hem onrustig, hij ligt er wakker van. Hij begrijpt dat hij iets bedreigends heeft gezien, maar verstaat de boodschap niet. ’s Morgens roept hij geleerden, tovenaars, waarzeggers en dat soort mensen uit het land op, omdat hij wil weten wat de droom betekent. Zij moeten de droom uitleggen.
Ze willen de droom graag horen, maar de koning eist dat ze de uitleg én de droom vertellen! Dan zullen ze rijk beloond worden, maar anders: – in stukken gehouwen. Nogmaals vragen ze de droom te vertellen, alsof ze de dreiging niet gehoord hebben, ze winnen tijd. Maar de koning wil niet dat ze hem wat op de mouw kunnen spelden, dus het blijft nee. En dan moeten de wijzen wel zeggen dat ze dat niet kunnen. Ze verstaan het spreken van de levende God niet. In zijn woede doodt Nebukadnezar alle wijzen. Dom, want dat was een fundament waarop Babel gebouwd was….

Ook Daniël en zijn vrienden liepen nu gevaar, zij behoorden inmiddels ook bij de wijzen. In vol vertrouwen op zijn God zegt Daniël dat hij het de koning wel zal uitleggen! Zo krijgt hij even uitstel van executie. En vlucht hij nu snel? Nee, hij gaat naar zijn huis en vraagt zijn vrienden te bidden met hem, om God ‘barmhartigheid’ te vragen. Misschien werden dan nog levens gespaard… Daarna gaan ze slapen, en pas dan komt de verhoring van het gebed. En wat Daniël dan als eerste doet, is danken en loven: “Deze God verandert tijden en uren, Hij zet koningen af en stelt koningen aan” en daarná gaat hij pas op audiëntie bij de koning als Gods gezant. Hij wordt aangekondigd als een balling uit Juda.

“Kun je dat echt?” vraagt de koning. “Niet ik,” zegt Daniël. “Geleerden en wijzen kunnen dat niet. Maar er is een God in de hemel die verborgenheden openbaart.” En dan legt hij uit, dat die God de koning een blik in de toekomst heeft gegeven. Het is een boodschap. De koning had wel een sterk rijk gesticht op de puinhopen van het oude Assyrische rijk, maar of dat ook zo blijft, dat wil God vertellen in die droom.
De droom ging over een groot beeld.
Het heeft een gouden hoofd: En dat is uw rijk, koning Nebukanezar, het Babylonische rijk, dat volstrekte heerschappij heeft. Maar van God gekregen! – Als het hoofd dus een koninkrijk is, zullen de andere delen dat ook zijn:
De zilveren borst en armen zijn het rijk dat hierna komt, het rijk van Meden en Perzen. Het is minder machtig. Maar wel groter.
De buik van koper is nog uitgebreider, het is het Grieks-Macedonische rijk van Alexander de Grote.
Dan volgen de benen van ijzer: Het Romeinse Rijk is zo hard als staal, erger nog dan Alexander de Grote.
Het beeld staat op voeten van ijzer en leem gemengd. Het is een verdeeld rijk: er zit kracht en broosheid in. Het ontbreekt aan eenheid, laat zich niet echt mengen, tweeslachtigheid. Het is de tijd waarin we nu zitten! Tussen het Romeinse rijk en de wederkomst van de Here in…. Een tijd die zowel meedogenloos hard is, als brokkelig als leem.
Het hele beeld laat zien hoe er een neergang is in kwaliteit! En al die tijd blijft het hoofd erop zitten: de geest van Babel blijft leven = de mens die zich tegen God verheft
En tóch nog de genade: God gaat door met zijn plan!!!

De droom ging verder: er scheurt zich een steen los, ogenschijnlijk vanzelf, en die rolt tegen de voeten en verbrijzelt ze. En dan stort alles in. Vergruizeld tot stof, weggeblazen, niets meer van over. En dan groeit die steen, en groeit en groeit… tot het een rots is, een berg. Zó groot dat hij de hele aarde in beslag neemt…
Die steen, legt Daniël uit, is een eeuwig koninkrijk, die de anderen vernietigt. Het wordt geen nationaal rijk, maakt geen deel uit van het beeld, maar komt van buiten en stelt zichzelf in plaats ván. Het is het Koninkrijk van God met een eigen karakter.
De grote God heeft dit alles onthuld en het is de waarachtige uitleg. Vertrouw het.
Daniël wist het nog niet. Maar wij weten dat aan het eind van de benen, het ijzeren Romeinse rijk, de Here Jezus is geboren en keizer Augustus wist niet eens van zijn bestaan. Zomaar uit het niets is de steen gekomen…. Hij zal gaan regeren als Koning der koningen en elke knie zal zich voor Hem buigen.

Nebukadnezar ging na de uitleg voor Daniël op de knieën, zag hem als God. Erkende ook dat de God van Israël heel groot was, groter dan andere goden. En Daniël krijgt de beloofde eerbewijzen en wordt heerser over het hele landschap van Babel, en krijgt de waardigheid van opperst hoofd boven alle wijzen. Daniël geeft het beheer meteen aan zijn 3 vrienden, zo had hij betrouwbare medewerkers, en de koning vond het prima. Zelf bleef Daniël aan het hof.

 

Daniël 3

Nebukadnezar heeft zich duidelijk niets aangetrokken van wat God hem wilde zeggen. Hij laat een reusachtig met goud overdekt beeld maken, 30 m. hoog en 3 m. breed en vroeg goddelijke verering voor dat beeld. [60 x 6 el = het getal van de mens] Het moest plechtig ingewijd en alle grootwaardigheidsbekleders worden er bij uitgenodigd. Samen staan ze in vol ornaat vóór het beeld. En een heraut roept het koninklijk bevel: ‘Zodra de muziek klinkt moet iedereen zich neerwerpen en goddelijke eer brengen aan het beeld, op straffe van de dood in de gloeiende oven.’
Heb je zo een keuze? Bij die dreiging doet iedereen dat toch meteen…..?

Maar: toch niet! Er wordt een klacht ingediend bij de koning: “Die 3 Joden die toezicht hebben [Daniëls vrienden] die hebben het bevel genegeerd! En de koning heeft ze nog wel een erefunctie gegeven. Zij moeten in de oven worden gegooid, want ze willen uw goden niet vereren!”
De 3 vrienden geven het gebeurde toe en zoeken ook geen uitvlucht. Ze kunnen niet anders dan God eren. God heeft hen kracht gegeven om Hem meer te vrezen dan de vuuroven. Afgoden erkennen en eren ze niet, dus ook het gouden beeld niet. Ze zijn bereid de vuurdood te ondergaan.
Volgens Nebukadnezar kun je best meerdere goden vereren, dus is hij hier woedend om, en laat de oven 7x zo heet stoken dan anders, laat hen binden en sterke kerels gooien hen in de oven terwijl de koning toekijkt. Plotseling springt hij op: Het waren er toch 3? En geboeid? Maar… hij ziet er 4! En ze lopen vrij rond! En die 4e lijkt wel een godenzoon! [Jes.43: als gij door het vuur gaat, zult gij niet verteren en zal de vlam u niet verbranden, want Ik, de Here, ben uw God, de Heilige Israëls, uw Verlosser]
Hij gaat er naartoe en roept de vrienden eruit: “Dienaars van de hoogste God!” Ze blijken geen enkel letsel te hebben, kleren niet, haren niet, geen brandlucht. Dat is een wonder.
En wéér erkent de koning de grootheid van hun God. Die kon echt meer dan andere goden…! Maar door eigen grootheid verblind ziet hij nog niet dat het de enige, ware God is……
En hij vaardigt een nieuw edict uit: “ Het is verboden iets van die God te zeggen op straffe van in stukken gehouwen te worden.”
En de 3 kwamen weer geheel in de gunst bij de koning en hij onderscheidde hen boven anderen in Babel. Maar het beeld laat hij staan.
Wees standvastig in de dienst van God – God kan redden uit het grootste gevaar!
Wie een plaats inruimt voor God náást andere goden, die wordt wel geaccepteerd, zolang je maar niet zegt; ‘U alleen, U loven wij’. Dan wordt het moeilijk. Vandaag geldt dat nog net zo.

 

Daniël 4

Een prachtig begin: De koning lijkt wel Bijbelschrijver te zijn geworden. Hij schrijft aan alle volken dat hij de tekenen die hij kreeg van de allerhoogste God wil bekendmaken!
“Zijn koningschap is een eeuwig koningschap, Zijn heerschappij voor altijd.” Wat is er gebéurd????

Er verstrijken zo’n 30 jaar voordat God weer van Zich laat horen in het leven van Nebukadnezar, wiens ster steeds hoger gestegen is. Hoe geduldig is God geweest! Het begint weer met een droom, en weer kunnen andere geleerden het niet uitleggen en wordt Daniël er bij gehaald, de Joodse balling. En de koning vertelt:
Een boom, groot en de top in de hemel [hoorden we dat ook niet bij de torenbouw van Babel? Heel lang geleden?], takken zo breed als de aarde, rijk aan loof en vrucht zodat alle levende wezens zich eraan konden laven. Met schaduw en vogels in nesten. Dan verschijnt uit de hemel een wachter, een engel, [bij de torenbouw kwam de Here uit de hemel naar beneden om de taal te verwarren!] die roept: ‘Kap de boom en de takken, haal het loof eraf en verspreid de vruchten, zodat de dieren verjaagd worden. Maar laat de stomp staan.’ Er wordt over een mens gesproken, wiens hart in dat van een dier wordt veranderd. Dat mens krijgt een dierenbewustzijn. En dat zal 7 jaar duren. En dit staat vast, opdat iedereen weet dat de Allerhoogste de macht heeft om koningen te onttronen.

Daniël begrijpt de droom, maar kan niet meteen antwoorden. Hij is verbijsterd dat het onheil zo vreselijk is. Hij heeft meelij met de koning, hij wilde dat het niet de koning maar zijn vijanden trof… Helaas, dat gaat wél om de koning.
Die grote boom is koning Nebukadnezar, groot in macht. En de boodschap van de hemelbode is, dat de koning uit de mensenwereld wordt verstoten en als dier zal leven: gras etend in het open veld, tot hij de oppermacht van de Allerhoogste erkent. Dat is Gods besluit, en zal zeker gebeuren. Dat de wortelstomp blijft staan betekent, de rampspoed is niet blijvend. Als de koning tot erkentenis komt wordt zijn macht hersteld. Dit is de volgorde: trots – straf – erkenning – herstel.
En Daniël voegt er een raad aan toe: “Er is één uitweg, voor élke zondaar: verootmoediging en bekering, dan is er hoop op Gods genade! De bijl ligt aan de wortel van de boom, maar het is nog niet te laat.”

En alles wat was aangekondigd, is ook gebeurd. Een jaar later sprak de koning met veel trots over zijn stad de hoogmoedige woorden: “Het grote Babel dat IK door MIJN kracht en tot MIJN eer heb gemaakt…” Mijn werk. Dan klinkt een hemelse stem: ‘zijn koningschap wordt hem ontnomen… de dieren gelijkgesteld.’ En dat gebeurde meteen. Hij wordt uit zijn hangende tuinen geslingerd, naar de dieren in het veld. Zijn haren werden lang, zijn nagels groeiden, Babel’s monarch een waanzinnige. En toen de 7 jaar om waren, sloeg hij de ogen op naar de hemel en erkende God. Toen keerde zijn verstand terug. Hij loofde God en verheerlijkte Hem, erkende Hem als Allerhoogste en eeuwig levende. Zijn waardigheid werd hersteld. Zijn glorie zelfs vermeerderd! De hoogmoedige werd vernederd, en dat vertelt Nebukadnezar nu aan zijn onderdanen. En de trotse Nebukadnezar moest erkennen dat Daniëls profetie waar was!
Hoe het verder met hem is gegaan weten we niet, dit is het laatste wat we over hem horen.

 

Daniël 5

Na de dood van Nebukadnezar ontstaat er onrust in het land. En de macht van de Meden en Perzen wordt groter en bedreigt het Babylonische rijk. Maar de nieuwe koning, Belsassar, lijkt in zijn luxe wel te vergeten dat het oorlogstijd is. Want we lezen: de koning richt een maaltijd aan en is met 1000 machthebbers wijn aan het drinken! En tijdens dat feest komt hij op het onzalige idee om het tempelgerei te gebruiken dat Nebukadnezar destijds uit Jeruzalem had geroofd. Het tempelgerei was voor de priesters, en overtreding daarvan neemt God hoog op. Dat is zelfs voor een heiden heiligschennis. En terwijl ze dronken brachten ze hun afgoden eer… Wat zou hem nu kunnen gebeuren? Ja, de stad werd belegerd, maar ze hadden wel voor 20 jaar voedsel… en het gouden en zilveren tafelgerei staat op zijn tafel… God tergend! God is lankmoedig, maar er is een grens!

Plotseling verschijnt op de wand tegenover de koning bij de muur een hand met vingers die op de muur schrijven…. de koning ziet de palm omdat hij eronder zit. En hij verbleekt van schrik!… Dit is zo bovennatuurlijk, hij wil opstaan, maar dat lukt niet. Hij is bang.
De wijzen worden ontboden. Daniël niet, hij was in die tijd waarschijnlijk achteruit gezet; maar God stelt Zijn profeten waar Hij ze nodig acht.
De wijzen weten het niet, kunnen het niet verklaren, de taal begrijpen ze ook niet, [ook hier een taalverwarring!] en iedereen is in paniek. Dan komt de koningin-moeder op het rumoer af, en als ze hoort wat er is, zegt ze: ”Er is wel iemand die het kan uitleggen, Daniël uit Juda”. Ze weet nog dat hij toentertijd was aangesteld als hoofd der wijzen.
Zo wordt Daniël gehaald en hem worden veel beloningen in het vooruitzicht gesteld, die hij afwijst. Hij wil niet zelf de eer ontvangen. Hij herinnert deze koning eraan hoe het met Nebukadnezar was gegaan: God had hem veel macht gegeven en eer, maar hij ging zichzelf verheffen en werd toen diep vernederd, zodat hij Gods eer zou erkennen. “Maar u, Belsassar, heeft er geen acht op geslagen, u bent in brutale heiligschennis tegen diezelfde God ingegaan.” Ja, en daarom laat God Zich nu horen. Hij heeft de handpalm doen verschijnen om dat schrift te schrijven en Daniël kan als knecht van de Heer [ inmiddels al 80] wel lezen wat er staat: geteld, [nog eens] geteld, gewogen en aan stukken! De dagen van uw koninkrijk zijn geteld, het houdt op. God heeft al uw gedragingen gewogen en het valt ongunstig uit. Het Babylonische rijk wordt uiteen gebroken en verdeeld onder de Meden en de Perzen.
Is dit reden te stoppen met feesten? Nee hoor. Daniël wordt gehuldigd tot de man onder de koning. Terwijl buiten priesters de paleisdeuren openzetten voor de vijand….
Nog diezelfde nacht ging Belsassar dood. Die nacht viel het hof in handen van de Perzische koning Cyrus, 538 voor Christus. Babel is feestend ten onder gegaan. ‘ Laten we eten, drinken en vrolijk zijn’. Zo was het ook in de dagen vlak voor de zondvloed, en zo zal het ook weer zijn als de laatste oordeelsdag van deze wereld aanbreekt.
GEEF JE APPLAUS, OF ZEG JE AMEN – DAT IS HET CRITERIUM IN GODS KONINKRIJK.

 

Daniël 6

Darius van de Meden en Perzen heeft nu de macht. Hij stelt 120 gouverneurs aan in zijn rijk, en daarboven 3 rijksbestuurders, waarvan Daniël er één is. Die moesten zorgen dat de schattingen binnenkwamen. Daniël overtrof zijn collega’s in bekwaamheid, en daarom wil de koning hem zelfs het hele bestuur opdragen. En dat wekt jaloezie. Een vreemdeling die de 1e plaats inneemt… [Nijd is het paard waar de duivel graag op rijdt].
Ze zoeken iets om hem te kunnen beschuldigen, maar Daniël is trouw. Dan beramen ze een plan: Daniël is alleen te pakken op zijn religie, want daarin doet hij geen water bij de wijn. Ze lokken een edict uit, waarin staat dat je 30 dagen lang alleen maar een verzoek mag richten tot de koning en tot niemand anders, dus ook niet aan goden. En wie zich er niet aan houdt, moet in de leeuwenkuil geworpen. En ze zeggen tegen de koning: “Alle rijksbeambten staan achter zo’n edict’ .
En de koning stemt toe. Dan zou hij 30 dagen het middelpunt zijn! Daniël hoort het edict, maar toch gaat hij gewoon 3x daags bidden en blijft dat doen voor het open raam dat naar Jeruzalem gericht is op het dak. Daar was het zijn tegenstanders om te doen! (Gods grote tegenstander, satan, wil altijd dat je ophoudt met bidden!) Ze gaan meteen naar de koning om hem aan te klagen. En er op te wijzen dat een wet van Meden en Perzen onherroepelijk is.
Nu pas ziet de koning het valse spel…. hij probeert nog iets te bedenken om er onderuit te komen, maar als dat niet lukt moet hij zich aan het besluit houden. Hij is er verdrietig van. En zegt nog tegen Daniël: “ Uw God, die u bestendig dient, bevrijde u.” Hij hoopt daar misschien wel echt op. Dan wordt Daniël in de kuil gegooid, als martelaar, een steen op de opening gelegd, verzegeld door de koning. Wat laat God het ver komen met Zijn adventsgetuige….

De koning vindt geen rust en onthoudt zich van amusement.
Het is nauwelijks ochtend als hij zich naar de leeuwenkuil haast en hij roept al van ver: “Daniël, heeft jouw levende God je kunnen redden?” En dan… klinkt er antwoord uit de kuil! God heeft Zijn engel gezonden om Zijn dienaar te beschermen. En de leeuwen hebben zich rustig gehouden. En God deed dat, omdat Daniël onschuldig was, voor God en voor de koning. Satan heeft het nakijken…. deze keer.
De koning is dolblij en laat Daniël er uit halen; er mankeert hem niets. Zo beloonde God zijn vertrouwen.
Na de blijdschap komt er ook ergernis bij de koning over de boze aanklagers en hun valstrik. Zij moeten nu datzelfde lot maar ondergaan. De leeuwen vallen meteen aan en vermorzelen hun beenderen. En koning Darius erkent de bijzondere macht van Daniëls God opnieuw in een proclamatie aan het volk, maar zonder afbreuk te doen aan de andere goden. En Daniël stond in hoog aanzien bij de koning, maar ook bij koning Cyrus = Kores van de Perzen.