Handelingen

Introductie

In het evangelie van Lucas, ging het over wat Jezus begon te doen en leren.
In Handelingen, ook wel het 2e boek van Lucas genoemd, lezen we het vervolg van Jezus’ arbeid als Opgestane en Verhoogde, die door Zijn Heilige Geest Zijn volgelingen duidelijke bevelen geeft. Deze twee boeken zijn samen dus eigenlijk: HET LEVEN EN WERK VAN JEZUS.

 

De uitstorting van de Heilige Geest

Lucas eindigt zijn 1e boek met: Blijf in de stad totdat….
In Handelingen 1 pakken we dit weer op: Blijf in Jeruzalem tot de belofte in vervulling zal gaan. Johannes doopte met water, maar binnenkort worden jullie gedoopt met de Heilige Geest….. Dan zullen jullie kracht ontvangen en van Mij getuigen in Jeruzalem, in heel Judea en Samaria, tot aan de uiteinden van de aarde. Daar gaan we het over hebben.

Op de dag van het Pinksterfeest was heel het verbondsvolk, joden overal vandaan, bijeen. Plotseling komt er een geluid/stem uit de hemel die het hele huis vult. Vuurtongen zetten zich op ieders hoofd. En ze worden vervuld met de Heilige Geest en beginnen te spreken in allerlei talen zoals de Geest hen ingeeft. Een ieder die er verbaasd op af komt, hoort de apostelen en anderen in zijn eigen taal spreken over Gods grote daden. Wat betekent dat toch? Zijn ze soms dronken?
Dan treedt Petrus naar voren en legt uit: ‘Deze tekenen wijzen op het vervuld worden van de profetie van Joël: GEEST EN VUUR!’ Heden is Joël 2:28vv in uw oren vervuld.
Jezus, die u gekruisigd hebt, is door God tot Heer en Messias aangesteld.
Was deze preek en wat erna volgt, nu zó bijzonder? Oh ja!
Petrus houdt een preek over een Bijbeltekst; daarna volgt doop, registratie van leden, viering van het Avondmaal en beoefening van de diaconie! De Pinkstertekenen luiden het ‘gewone’ kerkelijk leven in! Héél gewoon en daarom juist heel bijzonder.

De toehoorders schrikken: als Jezus echt de Messias is, dan komt Hij ook om het gericht uit te voeren, te oordelen. Je wordt voor de keuze gesteld: óf redding en vergeving zoeken bij de Heiland, óf verteerd worden door het oordeel….
Die dag laten zich ongeveer 3000 mensen zich dopen. En dat is niet in de opwelling van dat moment, maar ‘ze bleven volharden’.

 

Op gezag van Jezus – door Zijn Geest

In de naam van Jezus geneest Petrus een verlamde: De man gaat lopend en springend, en God lovend mee de tempel in. Het volk is verbaasd. “Waarom staren jullie ons aan – alsof wij hem konden doen lopen?!” zegt Petrus. “De God van Abraham, Izak en Jakob heeft Jezus, die jullie gedood hebben, opgewekt uit de dood en verheerlijkt. Het geloof in Zijn naam heeft deze man genezen. Jezus is ook naar u gezonden om u te zegenen en u van uw dwaalweg af te brengen”.
Maar deze prediking wekt tegenstand bij de Sadduceeën. Die geloven niet in de opstanding van de dood [Luc. 20:27-40], zeker niet in die van Jezus die ze zelf gekruisigd hadden. Ze willen niet dat de apostelen de naam van de Gekruisigde verder verbreiden en nemen hen gevangen.
Een echte grond voor veroordeling vinden ze niet….Dus zeggen de apostelen dat ze in gehoorzaamheid aan God toch verder zullen gaan met getuigen. Ze bidden met de gemeente om kracht om hun taak voort te kunnen zetten te midden van al de bedreigingen.

Naast de afkeer die ze in de leidende Joodse kringen tegenkomen, komen er ook vele mensen tot geloof! Inmiddels zijn dat er al 5000; een gemeente, één van hart en ziel.
Met grote kracht geven de apostelen hun getuigenis van de opstanding van de Here Jezus en er is grote genade over allen. Er was niemand die tekort kwam, want als dat dreigde was er altijd wel iemand die zijn huis of grond verkocht en het geld naar de apostelen bracht en daarvan werd dan naar behoefte uitgedeeld. Ook Barnabas deed dat, een Leviet uit Cyprus.

 

Tekenen en wonderen

De Geest van Jezus werkt in de apostelen. Daardoor kunnen ze tekenen en wonderen doen. En er worden zieken bij Petrus gebracht net zoals bij Jezus. En zij werden allemaal genezen.
Ja, het vólk heeft hen hoog. Maar de Sadduceeën… zetten hen uit jaloezie in de gevangenis. De 2e keer beschuldigt de hogepriester hen: “Je hebt Jeruzalem gevuld met je leer en je wilt het bloed van dit mens, deze Jezus, op ons doen neerkomen.”
Maar Petrus en de apostelen zeggen: “Men moet God meer gehoorzamen dan mensen. God heeft Jezus opgewekt die u aan het kruishout hebt gehangen. Hij is nu verhoogd door God tot een leidsman en Heiland om Israël bekering en vergeving van zonden te schenken. Wij zijn hier de getuigen van en ook de Heilige Geest die God gegeven heeft aan allen die Hem gehoorzaam zijn.”

Woedend worden de ondervragers, want zij hadden kennelijk die Geest niet…! En ze willen Petrus ter dood brengen. Maar Gamaliël staat op uit de Raad en zegt::”Denk goed na wat je doet. We hebben eerder mensen gehad waar mensen achteraan liepen, hun eigenmachtig optreden liep vanzelf dood. Dus laat hen. Want als dit mensenwerk is zal het vanzelf vernietigd worden, maar als het van God is, dan kan het niet vernietigd worden. Het mocht eens blijken dat je tegen God strijd….” Toen geselden ze de apostelen maar en verboden hen te spreken over Jezus en lieten hen vrij..
Maar niet alleen buiten de gemeente waren problemen, ook ín de gemeente ontstaan ze!
De groep discipelen groeit, en er ontstaat gemor over de voorziening van de weduwen. De apostelen roepen de gemeente bijeen en stellen voor 7 mannen aan te wijzen die dan belast worden met de zorg voor armen en weduwen. Dan kunnen de apostelen zelf zich bezighouden met gebed en bediening van het Woord. Zo gebeurt. Hen wordt de handen opgelegd als teken van zegening. Ook Filippus en Stephanus. Je kunt zeggen dat hier het diakenambt werd ingevoerd.

Zo verbreidt zich Gods Woord en het getal der christenen in Jeruzalem neemt zeer toe. Stephanus deed net als de apostelen wonderen en grote tekenen onder het volk, vol van genade en kracht.

 

De eerste martelaar

Er is maar één tempel, maar vele synagogen voor verschillende groepen. En leden van die synagogen redetwisten met Stephanus, maar kunnen het niet winnen. Dat zet kwaad bloed. Ze gaan hem lasteren. “Hij spreekt kwade woorden over Mozes en God.” Want Mozes als wetgever staat gelijk aan de goddelijke wet volgens welke Israël als volk van God te leven heeft. Volk, oudsten, Schriftgeleerden, ieder komt in opschudding. En Stephanus wordt voor de Raad geleid. Valse getuigen zeggen: “Hij zegt dat Jezus de tempel zal afbreken (Mat.26:61 Marc.14:58 Joh.2:19) en wil de heilige levensgewoonten veranderen die Mozes ons gegeven heeft”. Maar: iedereen in de Raad aanwezig – ziet het gezicht van Stephanus als een stralend licht, alsof hij een engel is!

Stephanus houdt hen Jesaja voor: “Hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, gij verzet u altijd tegen de Heilige Geest (Jes. 63:10), net zoals uw vaderen (zie Mat.23:30 en Marc.3:30).Wie van de profeten hebben zij niet vervolgd? Zelfs hebben ze gedood die geprofeteerd hebben over de komst van de Rechtvaardige/Messias (wiens optreden aan de norm van God beantwoordde!). Van Hem zijn jullie nu verraders en moordenaars geworden, jullie die de wet ontvangen hebben maar haar niet hebt gehouden!”

Deze persoonlijk gerichte toespraak van Stephanus wekt de woede van het sanhedrin. Maar hij slaat de ogen naar de hemel op en ziet de heerlijkheid van God en Jezus staat aan Zijn rechterhand….
En dat vertelt hij ook aan het sanhedrin. Helemaal fout.
Hij wordt terechtgesteld, gestenigd, en zo de 1e martelaar. Maar, terwijl hij gestenigd wordt roept Stephanus: “Here Jezus, ontvang mijn Geest! (Luc.23:46) En reken hun deze zonde niet toe (Luc.6:28)!” Dezelfde bede om vergeving voor zijn tegenstanders, als Jezus sprak …

 

Vervolging in Jeruzalem geeft groei in Samaria

Deze dood leidt tot een grote vervolging tegen de gemeente in Jeruzalem, waarbij Saulus op de voorgrond treedt. Hij gaat huis na huis in, sleurt mannen en vrouwen mee en levert hen over om in de gevangenis te werpen. Allen worden Jeruzalem uitgedreven naar Judéa en Samaria. Terwijl juist in Jeruzalem naar Joodse opvattingen ‘het behoud’ te verwachten was. Het lijkt rampzalig, maar dient tot verbreiding van het evangelie. (Rom. 8:28)

Bij de christenen die vanuit Jeruzalem verstrooid worden, hoort ook Filippus. Hij trekt naar Samaria en predikt daar over Christus. Ook hij doet door de Geest tekenen die zijn prediking kracht bijzetten. En de bevolking luistert naar hem. Onreine geesten worden verdreven, lammen worden genezen en er komt veel vreugde in de stad.
In de stad woont ook een zekere Simon die zich al lang met toverij bezighoudt Hij verbijstert de bevolking door zijn toverijen…. Maar als ze Filippus horen preken over het evangelie van Gods Koninkrijk en over de Naam van Jezus, dan geloven ze hém! En ze laten zich dopen, mannen en vrouwen. En ook Simon! Die blijft na zijn doop ook bij Filippus, verbijsterd door de grote tekenen en krachten die hij ziet gebeuren.
De apostelen in Jeruzalem horen dat Samaria Gods Woord aanvaardt. Ze zenden Petrus en Johannes erheen om de samenhang met de gemeente in Jeruzalem te bewaren. Daar aangekomen bidden zij voor de nieuwe gemeente dat ook zij de gave van de Heilige Geest mogen ontvangen. Ze waren enkel nog gedoopt onder aanroeping van de naam van Jezus. De doop van zondevergeving is op zichzelf wel genoeg, maar de gave van de Geest is teken, dat ze inderdaad aangenomen zijn (Rom.8:15). De apostelen leggen hen de handen op…. en zij ontvangen de Heilige Geest!
Dat ziet Simon. Ze doen het met handoplegging! Dat wil hij ook! Hij biedt geld aan: “Geef mij ook die macht, zodat ik ook door handoplegging iemand de Heilige Geest kan geven….!”
Maar Petrus wijst dit krachtig af: De gave van God is niet met geld te koop!
Petrus en Johannes verkondigden het evangelie aan vele Samaritaanse dorpen. Ze stichten gemeenten en keren dan terug naar Jeruzalem.

 

De vurige vervolger Saulus voegt zich bij de apostelen

Saulus ondertussen, gaat fel door met zijn vervolging van de gemeente. Hij gaat naar de hogepriester en vraagt aanbevelingsbrieven om naar de synagogen van Damascus te gaan om als hij daar aanhangers van Christus zou vinden, die naar Jeruzalem over te brengen. Officieel had het Sanhedrin geen jurisdictie in Damascus, maar het genoot er wel groot geestelijk gezag.
Terwijl hij op weg is en Damascus nadert, omstraalt hem opeens licht uit de hemel. Hij valt ter aarde en hoort een stem die hem met zijn Hebreeuwse naam aanspreekt: “Saul, Saul, waarom vervolg je Mij?” Dat is een verrassende vraag, want Saulus vervolgt ménsen. Wie zegt dit dan? Dan zegt Jezus: “Ik ben het, die jij vervolgt.”
Saulus moet gewoon naar Damascus gaan en doen wat hem daar gezegd wordt.
Maar Saulus kan door het felle licht dagenlang niets zien; zijn reisgezellen leiden hem. En eten en drinken wil hij ook niet. Hij zit in een geestelijke crisis….
Terzelfder tijd in Damascus verschijnt de Here aan discipel Ananias ook in een gezicht en zegt: “Vraag in het huis van Judas naar een zekere Saulus uit Tarsus, hij is in gebed en heeft in een visioen een man die Ananias heet zien binnenkomen en hem de handen opleggen opdat hij weer kan zien.” Oei; van die man had Ananias al veel gehoord, en niet veel goeds. Wel dat hij nu volmacht heeft om hier christenen gevangen te nemen! De Here echter blijkt Saulus uitgekozen te hebben, om te getuigen onder alle volken, later.
Dus moet Ananias hem de handen opleggen en hem accepteren als broeder, medechristen. Er vindt een geweldige ommekeer plaats bij Saulus: hij wordt vervuld met de Heilige Geest en begint te prediken in de synagogen dat Jezus de Zoon van God is. En steeds krachtiger, zodat iedereen verbaasd is.
Daarop beginnen Joden een aanslag op hem te beramen. Saulus hoort het en de discipelen laten hem stilletjes in een mand over de muur zakken. Hij gaat naar Jeruzalem en probeert zich bij de discipelen aan te sluiten, maar die vertrouwen hem niet. Behalve Barnabas, die brengt hem naar de apostelen en vertelt van zijn bekering en prediking. Als ook in Jeruzalem dreiging ontstaat brengen de broeders hem naar Caesarea en laten hem vandaar naar Tarsus vertrekken.
En de gemeenten in Judea, Galilea en Samaria hadden vrede. Ze groeien in geloof en wandelen in gehoorzaamheid aan Gods wil door de aansporing door de Heilige Geest.

 

Petrus en Cornelius

Apostel Petrus komt op zijn trektocht in Lydda. [Tussen Asdod en Caesarea] Hij geneest er een verlamde in de Naam van Jezus. Als de inwoners van Lydda en Saron dat zien, bekeren ze zich tot de Here.
En in Joppe (nu Jaffa) is een christin Tabitha = Dorcas, die beroemd is om haar werken van barmhartigheid en het geven van aalmoezen. Zij wordt ziek en sterft. Discipelen gaan Petrus roepen. Petrus bidt en roept Tabitha terug uit de dood. Hierdoor komen in Joppe velen tot geloof.
Petrus blijft slapen bij Simon de leerlooier, terwijl dat beroep bij Joden als verontreinigend gold.

In Caesarea, residentie van de Romeinse stadhouders, woont Cornelius, legeraanvoerder van de Italiaanse afdeling. Hij is godvruchtig, en zijn hele gezin. Hij sympathiseert met het Joodse geloof, maar voelt zich verhinderd om helemaal over te gaan. Dan zou hij besneden moeten worden en de sabbat houden. God laat deze man op een middag een gezicht zien: Hij ziet een engel Gods bij hem binnenkomen die zijn naam noemt. Cornelius schrikt. De engel vertelt dat God zijn gebeden heeft gehoord en gezien heeft hoeveel aalmoezen hij geeft. Ook al is hij geen Jood, God wil hem genadig zijn! Hij moet nu mannen naar Joppe sturen om Petrus uit te nodigen die bij Simon de leerlooier logeert… Dat doet Cornelius meteen als de engel weggegaan is: hij kiest 2 dienaren en een soldaat uit zijn naaste kring om de 50 km. te gaan.
Terwijl zij onderweg zijn de volgende dag, gaat Petrus rond 12 uur zijn gebed doen. Als hij honger krijgt, krijgt ook hij een visioen. Hij ziet de hemel geopend en iets als een groot laken wordt aan de 4 hoeken op aarde neergelaten; daarin zitten allerlei dieren van de aarde en vogels van de hemel. Reine en onreine door elkaar. En een stem zegt: “Petrus, slacht en eet!” Maar Petrus zegt: “Dat kan ik toch niet doen, want ik heb nog nooit iets gegeten dat onrein is, ondeugdelijk voor de dienst van de Heer.” Maar nogmaals zegt de stem: Wat God rein heeft verklaard, mag jij niet onheilig noemen. Tot 3x toe gebeurt dit [het is echt en waarachtig Deut. 19:15] Toen werd het voorwerp weer omhooggehaald. Petrus worstelt er mee wat dit nu te betekenen heeft. Het visioen is hem wel duidelijk, maar het botst met de wet!
Op dat moment komen de mannen die Cornelius gestuurd heeft bij het huis van Simon aan en proberen te weten te komen of Petrus daar is. Die hoor de Geest zeggen: “Twee mannen zijn op zoek naar u; ga naar beneden en reis zonder bezwaar te maken met hen mee, want Ik heb hen gezonden.”
Petrus had namelijk bezwaar kunnen maken, want de mannen vertellen hem dat Cornelius weliswaar goed bekend staat bij de Joden, maar hij behoort tot de bezettende macht én is een heiden. Maar ja, het is wel een engel van God die gezegd heeft dat Petrus gehaald moet worden! Dus onthaalt Petrus de mannen gastvrij en hij gaat de volgende dag met hen mee met nog 6 broeders.
Bij Cornelius zijn veel mensen bijeen. Petrus spreekt hen toe: “Jullie weten dat een Jood zo veel mogelijk vermijdt zich onder heidenen te begeven om geen onreinheid op te doen….; maar God heeft mij laten zien dat ik niemand onheilig of onrein mag noemen. Daarom ben ik hier nu. [Door Gods leiding zijn dus alle menselijke obstakels doorbroken, zodat het evangelie vrij baan krijgt!] Cornelius vertelt van het gezicht en de engel die opdracht gaf naar Petrus te luisteren.
“Ik begrijp wat de Schrift zegt”, zegt Petrus. “Voor elk mens geldt, uit welk volk hij ook is, dat wie Hem vereert en gerechtigheid doet, dat hij voor God aanvaardbaar is….”
En Petrus gaat verder met het evangelie uitleggen. En terwijl Petrus spreekt, valt de Heilige Geest op allen die dit horen. En degenen die met Petrus meegekomen waren, christenen van Joodse oorsprong met het kenmerk van de besnijdenis, staan verbaasd dat de gaven van de Heilige Geest ook over de heidenen is uitgestort. Hier herhaalt zich het Pinksterfeest! De mensen spreken in tongen en loven God. En Petrus zegt: “Nu ze deel uitmaken van het volk van God, is er geen belemmering meer ze te dopen.” En ze worden gedoopt in de naam van Jezus Christus. God heeft ook de niet-joden die Hem aannemen het eeuwige leven geschonken!

 

Gezonden door de Heilige Geest

Filippus trok verder naar Fenicië, Cyprus en Antiochië toe. En tot daar spraken ze alleen de Joden toe. Maar enkelen wendden zich in Antiochië tot de niet-Joden. En door de kracht van de Heer kwam een groot aantal mensen daar tot geloof in de Heer. Dát hoort de gemeente in Jeruzalem, en zij sturen deze keer Barnabas om te kijken wat er gebeurt. Als hij zelf ziet hoe God Zijn genade daar uitdeelt, is hij er zó blij om! Velen worden toegevoegd!
Hij haalt zelf Paulus uit Tarsus om te helpen, dan kunnen ze samen het evangelie vertellen.
Er komen ook nog mensen uit Jeruzalem met profetische gaven om leiding te geven.

Koning Herodes krijgt het bestuur over Judea en Samaria. Hij tracht de gunst der Farizeeën te winnen en christenen vervolgen past goed in het kader van zijn binnenlandse politiek. Hij laat apostel Jacobus ter dood brengen, en als hij ziet dat de Joden dat waarderen, neemt hij ook Petrus gevangen. Maar de Here heeft zijn engel uitgezonden en hem verlost uit de macht van Herodes.

Het werk van God gaat door! Barnabas en Saulus zijn teruggekeerd in Antiochië nadat ze in Jeruzalem gaven brachten. Ze hebben Marcus meegenomen. Wanneer ze met profeten en godsdienstleraren bijeen zijn, zegt de Heilige Geest: “Zonder voor Mij Saulus en Barnabas af voor het werk waartoe Ik hen geroepen heb.” En nadat hen de handen opgelegd is en voor hen gebeden is, varen Saulus en Barnabas door de Heilige Geest gezonden naar Cyprus. Ze preken in de synagogen, trekken het hele eiland over en treffen een tovenaar aan, een Jood. Hij was bij een verstandige landvoogd, Sergius Paulus, die begeerde Gods woord te horen. Dat wil de tovenaar niet en hij probeert de landvoogd afkerig te maken. Maar Saulus zegt vervuld met de Geest: “Jij zoon van de duivel [dat is wat anders dan Bar-Jezus, zoon van Jezus!], zul je niet ophouden de weg van de Heer te verdraaien? De hand van de Heer keert zich tegen je! Je zult een tijd lang blind zijn en de zon niet zien!” – En terstond gebeurt dat en de landvoogd ziet het en…. die komt tot geloof: hij ziet deze straf als teken van de juistheid van Paulus’ prediking.
Paulus, want zo wordt Saulus hier genoemd. Saulus is zijn Aramese naam, Paulus de Latijnse en hij treedt nu veel op in de Grieks-Romeinse cultuurkring. Paulus betekent: de kleine. Maar we hebben het hier over de grote apostel Paulus, eerst vurig vervolger, nu vurig aanhanger van Jezus.

 

Eerst de Jood, dan de heiden…

De reis gaat verder via Perge naar Antiochië in Pisidië waar ze op de sabbat naar de synagoge gaan en uitgenodigd worden een woord te spreken. Paulus staat op en spreekt het volk Israël toe. Hij schetst een overzicht van Israëls geschiedenis en dat Jezus de vervulling van Gods belofte is. Dat Hij door de Palestijnse Joden verworpen is, maar nu in de verstrooiing gepredikt wordt als de brenger van Gods heil.
De volgende sabbat worden ze verzocht opnieuw deze woorden te komen spreken. Bijna de hele stad komt nu luisteren, zo’n indruk heeft het gemaakt. Dat zint de Joodse leiders helemaal niet, en ook hier wordt gelasterd tegen Paulus, want iemand die aan het kruis gehangen heeft, is vervloekt door God. Dus wat hij zei over Jezus, dat kon niet.
Maar Paulus en Barnabas zeggen vrijmoedig:”Het was nodig het Woord eerst aan u te verkondigen. Als u het verwerpt, keren we ons nu tot de heidenen, want zo heeft de Here ons geboden.”

Overal treedt hetzelfde effect op. Ze preken in de synagogen, velen komen tot geloof, maar dan gaan de Joden die ongehoorzaam waren aan de prediking anderen opstoken uit verbittering. Dan blijven ze eerst vrijmoedig doorgaan vertrouwend op hun Heer die laat zien door de tekenen en wonderen die ze mogen doen, dat Hij met hen is. Tot de onenigheid zo groot is geworden dat ze dreigen te worden gestenigd, dan vertrekken ze er weer.
Uiteindelijk varen ze naar Antiochië terug, vanwaar ze uitgezonden waren. De gemeente wordt bijeengeroepen en ze doen er verslag van Gods werk en vertellen dat Hij ook voor de heidenen de deur had geopend om tot geloof te komen. En ze blijven er geruime tijd.

 

Alleen Christus, of Christus en de Wet?

Maar dan ontstaat in Antiochië onenigheid over de noodzakelijkheid van de besnijdenis voor deelname aan het heil. Het was toch het teken van het verbond, en voor Joden onmisbaar! Als je dat mist, kun je niet behouden worden, toch? Dat is de inzet van de strijd: is Jezus Christus voldoende, of moet de besnijdenis en daarmee de onderhouding van de wet, er bij komen?
Paulus en Barnabas zeggen: niet nodig. Anderen zeiden : wel nodig.
Besloten wordt om met leiders in Jeruzalem overleg te plegen. Een delegatie, Paulus, Barnabas en oudsten, gaan daarop naar Jeruzalem. 500 km. Onderweg overal broeders bezoekend.
In Jeruzalem wordt druk vergaderd.
Er zijn Farizeeën die Jezus als Messias hebben aanvaard, maar zich toch blijven houden aan de strikte wetsvervulling: dus moet besnijdenis als gebod gehandhaafd blijven. Of niet?
Ze komen er niet uit. Petrus staat op en herinnert hen aan hoe God hem had uitgekozen om Cornelius het evangelie te brengen en hem te dopen. En hoe God dat bevestigd had door de Heilige Geest aan dat gezin te geven, zonder enig onderscheid. Alleen door genade hopen we behouden te worden!
Iedereen wordt stil. Dan gaan Barnabas en Paulus vertellen van wat God voor tekenen en wonderen onder de heidenen heeft gedaan door hen.
En daarna neemt Jacobus nog het woord: God was er van het begin af op uit Zich een volk uit de heidenen te vergaren. Het komt overeen met wat de profeet Amos zegt. (Amos 9:11vv) En daarom vind ik dat je heidenen die zich tot God bekeren, niet moet lastigvallen. Maar zij mogen zich niet verontreinigen met afgoderij, seksuele zonden of dieren waar het bloed [de ziel] nog niet uit is. Dan is er omgang mogelijk, zonder dat Joden zich verontreinigen.
En men besluit zó, in de zin van Jacobus’ oordeel, het antwoord in een brief naar Antiochië te sturen en deze nog mondeling toe te lichten. Zo wordt de rust in Antiochië hersteld. En Paulus en Barnabas verkondigen en leren er weer, met vele anderen, het Woord van de Here.

 

Tweede zendingsreis

Paulus gaat met Silas, die ook mee geweest was naar Jeruzalem, door de broeders uitgezonden, door Syrië en Cilicië om de gemeenten daar te versterken. Hij komt bij Derbe, en Lystra en daar ontmoet hij een jonge discipel, Timotheüs en die nemen ze ook mee op hun reis. Ze trekken dwars door Klein-Azië [ Phrygië, Galatië], maar in Asia verhindert de Heilige Geest Zelf het woord te spreken. Diezelfde Geest leidt hen naar Troas aan het water. Daar krijgt Paulus een gezicht in de nacht: een man roept hen vanaf de overkant: Kom naar Macedonië en help ons. Omdat God hen roept, zoeken ze meteen een boot die hen naar de overkant kan brengen. Zo komen ze in Neapolis, de havenstad 13 km. voor Filippi. Filippi ligt in Macedonië, een Romeinse kolonie. Er is geen synagoge in de stad, dus gaan ze op sabbat de poort uit naar de rivier; kans op een gebedsplaats, omdat daar rituele wassingen konden plaatsvinden. Ze spreken daar met de vrouwen die er samenkomen. En Lydia, een purperverkoopster, die God vereert, hoort toe. En de Here opent haar hart en ze neemt de woorden van Paulus aan. Zij en haar hele huis worden gedoopt en ze nodigt Paulus en Silas uit in haar huis.
Een slavin met een waarzeggende geest loopt achter het gezelschap aan en roept: “Deze mensen zijn dienstknechten van de allerhoogste God die u een boodschap brengen van de weg tot behoudenis!”
[Bezetenen hebben vaak juist inzicht in de persoon van Christus, zie Mat.8:29, Marc.5:7 en Luc. 4:34-36,41 en 8:28]
Hoewel het de waarheid is, wijst Paulus dit af, omdat het geen goed doet aan het evangelie. Hij keert zich tot de geest en zegt: “Ik gelast u in de naam van Jezus Christus uit haar te gaan.” En de geest luistert direct. Maar zonder die geest hadden de eigenaren niets meer aan hun slavin! En ze grijpen Paulus en Silas en brengen hen bij de Romeinse overheid die al niets met Joden en hun rituelen had. Zonder proces worden ze gegeseld en in de gevangenis gegooid, in de binnenste kerker met de voeten in een blok. Ondanks het lijden en de onrechtvaardige behandeling zingen Paulus en Silas ’s nachts Gods lof, en de bewakers luisteren. Dan komt er een grote aardbeving, de deuren gaan open en de boeien raken los. De bewaker ziet de deuren open, en wil zichzelf al van kant maken, want dat zou zijn lot zijn als hij een gevangene laat ontsnappen…. Maar Paulus roept: “doe dat niet! We zijn hier nog.” De bewaker werpt zich voor Paulus en Silas neer. Dan leidt hij hen naar buiten en vraagt wat hij moet doen… En ze zeggen: “Stel je vertrouwen op de Heer en je zult behouden worden.” En heel dat gezin komt tot geloof en wordt gedoopt! En allen zijn blij!
De volgende dag mogen ze vertrekken. Maar Paulus beroept zich op zijn Romeins burgerrecht dat hem beschermt voor onterende straffen. Ze hadden hem zomaar in het openbaar gegeseld en gevangengezet zonder proces, en dan nu hen er ongemerkt uitzetten? Nee, dit zal ook openbaar rechtgezet moeten worden! Daar schrikken de hoofdlieden erg van, dat ze horen dat zij Romeinen zijn….. ze doen hen uitgeleide en vragen beleefd of ze de stad willen verlaten. Dan gaan ze maar naar Lydia en spreken eerst iedereen daar bemoedigend toe.

 

Thessalonica – Athene – Corinthe

De reis gaat tot Thessalonica [nu Saloniki], de grote havenstad waar een synagoge van de Joden is. Daar legt Paulus de Schriften weer uit, dat de Messias móest lijden en dat Jezus dat is. Sommigen sluiten zich bij hem en Silas aan, ook een grote menigte Grieken en vooraanstaande vrouwen. Maar de Joden veroorzaken weer relletjes en willen hen voor de volksvergadering brengen….
Paulus en Silas vluchten naar Beréa. en in 1e instantie wordt daar hun prediking goed ontvangen. Maar Joden uit Thessalonica komen onrust stoken in Beréa en Paulus vertrekt richting zee, maar Silas en Timotheüs blijven daar. Waarschijnlijk konden zij in de kringen makkelijker voortwerken, en liep Paulus het meeste gevaar.

Paulus’ begeleiders brengen hem naar Athene, een wat stille provinciestad in die tijd. In Athene is een overdaad van heidense tempels, het is hem een gruwel. Hij houdt in de synagoge en op het marktplein vele gesprekken met Joden en anderen die God vereren. Zo komt hij ook in ‘gesprek’ met vertegenwoordigers van filosofische stromingen: aanhangers van Epicurus en aanhangers van de Stoa (Stoïcijnen). Sommigen vinden Paulus maar een zwetser, maar anderen zeggen: Hij schijnt een verkondiger van uitheemse goddelijke wezens te zijn, Jezus, en Opstanding. [denk aan vrouwe Fortuna]. En daar willen ze meer van weten. Of Paulus ze meer wil vertellen van de nieuwe leer….
Nou, dat doet Paulus!
Athene bezat zelfs een standbeeld voor ‘de onbekende God’, en Paulus weet precies Wie daarmee bedoeld is, dat is de God die hemel en aarde geschapen heeft! En Hij heeft Jezus uit de doden opgewekt! Dat bewijst dat God Hem gezonden heeft.
Als ze over opstanding van de doden horen, zijn er weer sommigen die hem bespotten, een enkeling komt tot geloof, zelfs een lid van het hoogste rechtscollege in Athene.

Paulus trekt verder naar Corinthe, 70 km. verder. Daar vindt hij trouwe vrienden. De Jood Aquila [=adelaar], net terug uit Italië, met zijn vrouw Priscilla [=oudje] omdat keizer Claudius bevolen had dat alle Joden Rome moesten verlaten. Paulus blijft bij hen en preekt weer in de synagoge en probeert Joden en Grieken te overtuigen. De Joden verzetten zich en lasteren hem. Dan zegt Paulus: “Jullie dragen zelf de schuld, ik ga vrijuit. Ik zal me voortaan tot de niet-Joden in Corinthe wenden.”
Hij gaat wonen bij een belangstellende, die naast de synagoge woont. En Cryspus, de overste van de synagoge, komt tot geloof en zijn gehele huis. En vele van de Corinthiërs die hem horen, geloven hem en laten zich dopen. Zo ontstaat een christelijke gemeente.
En de Here bemoedigt in een visioen Paulus: “Wees niet bang, spreek en zwijg niet; Ik ben met u, niemand zal u kwaad willen doen, want Ik heb veel volk in deze stad.” Dat is nog eens goddelijke bijstand! Anderhalf jaar werkt hij daar.

 

Efeze

Paulus vaart nu richting Syrië en komt in Efeze aan, waar hij de synagoge meteen weer opzoekt om de vaarroute met de Joden te bespreken. Hij wil er niet blijven, maar belooft terug te komen. Dan vaart hij naar Caesarea en reist via een korte stop in Jeruzalem naar Antiochië. Daar verblijft hij lang. Tot hij begint aan zijn 3e zendingsreis: Door het land van Galatië en Phrygië om al de discipelen te versterken.
Uiteindelijk komt Paulus na rondgereisd te zijn in de binnenlanden weer terug in Efeze zoals beloofd. Hij vindt er een aantal discipelen en vraagt of zij ook de Heilige Geest ontvangen hebben toen ze werden gedoopt. Maar ze weten niets van de Geest. Zij blijken gedoopt te zijn in doop van Johannes, een doop van bekering. En Paulus legt uit dat ze moeten geloven in Hem die ná Johannes kwam. En zij geloven en laten zich dopen in de naam van de Here Jezus. Paulus legt hen de handen op, en de Heilige Geest valt op hen en ze spreken in tongen en profeteren. Ongeveer 12 mannen.
Het is weer Pinksterfeest!
Paulus blijft er 3 maand spreken. Als er in de synagoge verharding ontstaat, blijft hij nog 2 jaar buiten de synagoge leren aan zijn discipelen. En God geeft buitengewone kracht aan wat Paulus’ handen doen en zieken worden zelfs genezen als hen iets wordt gegeven dat Paulus gedragen heeft, En boze geesten worden verdreven.
Zeven rondtrekkende Joodse geestenbezweerders, broers, proberen dat ook: “Ik bezweer u bij de Jezus die Paulus preekt.” Maar de boze geest antwoordt: Jezus ken ik en van Paulus weet ik, maar wie mogen jullie dan wel zijn? Het wordt een grote mislukking, de man waar de geest in huist vliegt hen aan en is zo sterk, dat ze zonder kleren en gewond uit huis moeten vluchten. Dat horen alle Joden en Grieken in Efeze en ze worden bang. Maar het werkt wel mee aan de verkondiging, want hier blijkt hoe machtig de naam van Jezus is! En velen die gelovig geworden zijn komen hun schulden belijden. En enkelen van degenen die ook toverkunsten hadden uitgeoefend, brengen hun boeken met toverformules en verbranden die terwijl ze héél veel waard zijn…. De breuk met het heidendom kost deze mensen dus veel!
En zo wordt het woord door de kracht van de Heer steeds sterker en verder verbreid.
In die tijd ontstaat er grote opschudding: de zilversmid Demetrius maakte Artemistempeltjes om aan de pelgrims te verkopen zodat ze bijstand van de godin zouden hebben. Daar verdient hij goed aan. Hij roep zijn werknemers bijeen Hij zegt: “Onze welvaart ontlenen we aan dit werk. En Paulus heeft een talrijke schare overgehaald door te vertellen dat goden die met handen worden gemaakt, geen goden zijn.[prediking van het evangelie betekent een eind aan de afgodendienst.] We lopen gevaar dat ons werk niet meer in tel zal zijn, maar ook dat de tempel van de stadsgodin Artemis geen betekenis meer zal hebben. Ze wordt van haar luister beroofd.”
Dat geeft een heftige reactie: “Groot is de Artemis van Efeze!” Ze stormden het openluchttheater in, waar wel 25.000 in konden, en sleuren Gajus en Aristarchus, reisgenoten van Paulus, mee. Paulus wil hen gaan helpen [bang was hij niet!], maar de discipelen laten het niet toe. En ook belangrijke hoge heren die Paulus welgezind zijn waarschuwen hem het niet te doen. De volksvergadering is verward, waarvoor moesten ze hier eigenlijk zijn? Een zekere Alexander treedt op als advocaat van de Joden, en wil een verdedigingsrede voor de Joden houden: de Grieken moesten wel weten dat er een groot verschil tussen Paulus en de Joden bestaat, anders konden zij er nog last mee krijgen! Maar toen het volk merkte dat Alexander een Jood was, klonk het 2 uur lang: “Groot is de Artemis van Efeze!” Eensgezind. Maar de secretaris van de stad brengt iedereen tot rust: “We weten dat Efeze tempelbewaarster is van de grote Artemis en van het beeld dat uit de hemel gevallen is. Jullie hebben deze mannen opgepakt, zonder dat er reden voor is. Houdt je aan de regels van het recht. Er zijn plaatsen waar je je klachten kunt deponeren. Ga daar heen. Zo lopen we gevaar dat we aangeklaagd worden voor oproer.” En opstand konden ze niet gebruiken, dus wordt de volksvergadering ontbonden.
Paulus troost en bemoedigd de discipelen en spoort hen aan staande te blijven in de bedreigingen.

 

Op de terugweg naar Jeruzalem

Daarna gaat hij zelf ook naar Macedonië. Na het Joodse paasfeest in Filippi reizen ze naar Troas.
Op de 1e dag van de week, kwamen ze samen om het brood te breken en omdat Paulus de volgende dag weer verder wil gaan, houdt hij een hele lange toespraak in een bovenzaal. Daarbij valt een jonge man die in de vensterbank zit in slaap en valt hij van 3 hoog naar beneden…. dood. Maar Paulus gaat naar beneden, werpt zich op hem en zijn armen om hem heen en zegt: “Maak geen misbaar; er is leven in hem!” Ieder wordt buitengewoon bemoedigd.
Paulus gaat te voet naar Assus, 40 km. verderop, en dan varen ze naar Milete. Eigenlijk wilde Paulus Efeze voorbijgaan om nog met het Pinksterfeest in Jeruzalem te kunnen zijn. Maar hij laat wel de oudsten van Efeze naar Milete halen. Hij vertelt hen dat hij gedrongen door de Heilige Geest moet gaan prediken in Jeruzalem en niet weet wat hem daar overkomen zal. Hij is niet bezorgd om zijn leven, als hij maar zijn bediening, zijn werk mag ten einde brengen, getuigen van het evangelie van genade. Hij heeft die taak van de Heer ontvangen. “Mij zult u niet meer zien, maar ziet u toe op de kudde, het volk van God, want de Heilige Geest heeft u als opzieners aangesteld…..Wees waakzaam. Ik vertrouw u toe aan de Heer.” Samen bidden en huilen…. Ze zouden hem misschien nooit meer zien…. en ze vergezellen hem naar het schip.

In Tyrus wordt aangelegd om lading te lossen. Een noodgedwongen oponthoud van 7 dagen. Maar de discipelen daar zeggen tegen Paulus door inspiratie van de Geest, dat hij zich niet moet inschepen voor Jeruzalem.
Ze gaan verder naar Caesarea. En komen in het huis van Filippus. In het huis hangt een sterk profetische sfeer, want Filippus heeft maar liefst 4 ongehuwde dochters die profetes zijn. Daar komt na een paar dagen de profeet Agabus binnen. Hij neemt de gordel van Paulus en bindt daarmee zijn handen en voeten en zegt: “Dit zegt de Heilige Geest: de Joden in Jeruzalem zullen de man waarvan deze gordel is zo binden en uitleveren in handen van de heidenen.”
Geschrokken spoort iedereen nu Paulus aan niet naar Jeruzalem te gaan. Maar Paulus zegt: “Waarom maken jullie mijn hart zacht? Ik ben bereid niet alleen gebonden te worden, maar ook te sterven in Jeruzalem voor de naam van de Here Jezus. De wil van de Here geschiede.” Het is een rustige overgave. De discipel is niet méér dan de Heer. En ook zijn dood zal een getuigenis zijn.

Na 3 dagen gaan ze naar Jeruzalem, met nog een paar discipelen meer (uit Caesarea). De broeders heten hen hartelijk welkom. Paulus zoekt apostel Jacobus op die een leidende plaats heeft in de gemeente van Jeruzalem, en alle oudsten zijn erbij. En Paulus vertelt hen alles wat God door zijn dienst onder de heidenen heeft verricht. En zij loven God.

 

Paulus gearresteerd

Maar Joodse pelgrims uit Efeze zien Paulus in de tempel, herkennen hem en brengen het volk in opschudding: “Dit is de man die tegen het volk, de wet en de tempel leert aan iedereen. En nu heeft hij ook nog grieken in de tempel gebracht en deze heilige plaats ontwijd!” Heidenen mochten alleen op de voorhof voor heidenen komen, en niet verder vanwege hun onreinheid. Ze hadden Paulus in de stad met een onbesneden man uit Efeze gezien, en dachten dat Paulus hem in de tempel had gebracht. De hele stad komt in rep en roer, en ze grijpen Paulus en sleuren hem de tempel uit. In de tempel mocht je namelijk de doodstraf die daar op stond niet uitvoeren.
Terwijl ze proberen Paulus te vermoorden, hoort het hoofd van de bezetting dat de stad in rep en roer is. Deze gaat er onmiddellijk met soldaten op af. De bevolking houdt op Paulus te slaan. Omdat de overste denkt met een bekende oproerkraaier te maken te hebben, wordt Paulus niet ontzet, maar met ketenen geboeid De overste tracht er achter te komen wie dit is en wat hij heeft gedaan. Maar iedereen schreeuwt iets anders, dus hij laat Paulus naar de kazerne brengen in de burcht Antonia die op een rots ligt. Bij de trappen moet Paulus zelfs door de soldaten gedragen worden wegens het opdringen van het volk dat schreeuwt: “Weg met hem!”
Vlak voor Paulus de kazerne in gaat, vraagt hij de overste in het Grieks: “mag ik u iets zeggen?”
Dat is een verrassing voor de overste. In Jeruzalem sprak men meestal Aramees. En hij zegt: “Bent u dan niet die Egyptenaar die hier oproer veroorzaakte en er met 4000 verzetsstrijders op uit trok?” Egyptenaren hadden geen baard en Joden wel, dus had hij gedacht dat het die was….
Maar Paulus zei: ‘Ik ben een Jood uit Tarsus in Cilicië, heb daar burgerrechten en verzoek u om tot het volk te mogen spreken.”

Dat wordt toegestaan. En Paulus spreekt, boven aan de trappen staande, het volk in het Aramees toe. Hij spreekt over zijn levensgang van zijn jeugd af. Hij toont hoe hij geboren en getogen in het Jodendom, zich vol ijver aan het uitroeien van de christenen gegeven heeft, maar hoe de Here hem heeft gebracht tot Zijn dienst….
Maar zodra hij over zijn zending tot de heidenen spreekt, belet men hem om verder te gaan. “Weg van de aarde met zo iemand, hij behoort niet te blijven leven!”
De overste beveelt Paulus in de kazerne te brengen, en onder geseling te verhoren om er achter te komen waarom ze zo tegen hem tieren. En als ze hem over een paal buigen om zijn rug te strekken opdat de slagen scherper zullen aankomen, zegt Paulus tegen de hoofdman: “Mag u een Romein geselen en dat zonder vonnis?” Dat was namelijk een misdaad. Onderworpen volken waren rechteloos, maar Romeins burgerrecht gaf voordelen! De hoofdman gaat naar de overste om te overleggen. De overste zelf had het burgerrecht voor veel gekocht, maar Paulus had het door geboorte verkregen en dat had nog meer waarde. Ze stoppen onmiddellijk de ondervraging. Toch is de overste bang, want ook het ‘binden’ van een Romein is een wandaad. Als Paulus zijn beklag gaat doen, zou dat kwade gevolgen voor de overste kunnen hebben!

Toch wil hij nog steeds weten waarvan Paulus door de Joden beschuldigd wordt want hij zal rapport uit moeten brengen. Dus laat hij de overpriesters en de gehele Joodse Raad komen en haalt Paulus erbij. Zoals ook Petrus en Johannes voor de Raad hadden gestaan, en ook zijn Heer, zo staat Paulus hier en spreekt hen toe. Zodra hij begint over opstanding der doden komt er onder de Joden onderling onenigheid. Want de Sadduceeën zeggen dat er geen opstanding is en geen engel of geest [ze hielden zich alleen aan de boeken van Mozes] en de Farizeeën belijden ze wel. Ze worden erg fel tegen elkaar. En sommigen van de Schriftgeleerden van de Farizeeën zeggen: “Wij vinden geen kwaad in deze mens! Als nu een geest of een engel tegen hem gesproken heeft!…..”
Uit veiligheidsoverwegingen wordt Paulus toch maar weer in de kazerne gebracht….
De volgende nacht staat de Heer bij hem en zegt: “Houd moed, want zoals je in Jeruzalem van Mij getuigd hebt, moet je ook in Rome getuigen.”
Onder al deze dreigementen, leidt God hem naar Rome om die opdracht te vervullen!

 

Overgebracht van Jeruzalem naar Caesarea

Een neef van Paulus komt een complot ter ore van de Joden tegen Paulus en hij waarschuwt de overste, en die brengt hem in veiligheid. Tegen de nacht wordt hij op een rijdier naar stadhouder Felix in Caesarea gebracht met 200 soldaten, 70 ruiters en 200 lansdragers. De overste doet er een brief bij waarin hij laat merken dat hij goed is geweest voor deze Romein en hij hem voor onschuldig houdt. Maar hij heeft tegen de aanklagers gezegd dat zij ook naar Felix kunnen gaan…. Felix beveelt Paulus in het paleis van Herodes de Grote in bewaring te houden., en nader te verhoren als de beschuldigers er zijn.
Een paar dagen later komt een advocaat van de Joden officieel de aanklacht indienen. Hij begint eerst Felix te vleien en legt dan uit dat Paulus een groot gevaar is voor de mensheid. “Hij verwekt opstanden over heel de wereld. En hij heeft geprobeerd de tempel te ontwijden. En ze hadden hem zelf willen berechten, maar dat heeft de overste verhinderd. Als u hem in verhoor neemt zult u het zelf ook horen.”
Paulus mag zich verdedigen en eindigt zijn pleidooi met:: “Ik sta hier alleen terecht vanwege een theologische aangelegenheid, een twistpunt onder de Joden zelf: de opstanding der doden!”
Felix die op de hoogte was van de christelijke prediking, verdaagt de zaak. Paulus blijft dus in bewaring, maar minder streng. Hij mag met de zijnen praten.
Als er 2 jaar om zijn, behoort Felix naar Romeins recht Paulus vrij te laten als er nog geen beslissing is. Maar hij doet het niet omdat hij de Joden een gunst wil bewijzen.

Felix wordt opgevolgd door stadhouder Festus.
Daar aangekomen met de Joden uit Jeruzalem die Paulus zullen beschuldigen, laat hij Paulus voorkomen. En er worden zware beschuldigingen ingebracht, die ze niet kunnen bewijzen. En weer verdedigt Paulus zich: “Ik heb noch tegen de Joden, noch tegen de tempel, noch tegen de keizer [daar vielen opstanden onder] iets misdreven.”
Festus stelt voor het als een Joodse aangelegenheid in Jeruzalem te laten uitmaken.
Maar Paulus wil het na al deze jaren in Romeinse handen op het terrein waar de Romeinen bevoegd zijn het uitgemaakt zien: Is het christendom staatsgevaarlijk of niet? Tegen de Joden heeft hij geen misdaad begaan. Paulus beroept zich op het keizerlijke hoogste gerechtshof als Romeins burger!
Dan zegt Festus: “Dan zul je ook naar de keizer gaan.” Maar:

Omdat Festus niet goed weet wat hij als aanklacht moet formuleren voor de keizer, overlegt hij met koning Agrippa. Agrippa wil Paulus zelf wel eens horen. Ze zijn het er daarna wel over eens: Deze man is onschuldig. en hij had vrij kunnen zijn, als hij zich niet beroepen had op de keizer!

 

Naar Rome

Dan zendt Festus Paulus naar de hoofdstad. Ze varen langs Kreta en bereiken Goede Rede. Ze verliezen veel tijd door tegenwind. Het is al laat in het seizoen, Grote Verzoendag is al geweest. Tussen november en maart ligt de scheepvaart altijd stil omdat het dan te gevaarlijk is. Paulus waarschuwt dat ze beter niet verder kunnen gaan, maar de stuurman wil doorvaren. Opeens komt een storm opzetten en het schip wordt meegesleurd. Het wordt noodweer, ballast en tuigage verdwijnen, en de bemanning dreigt de hoop te verliezen. Ze hebben ook geen eten meer.
Maar Paulus’ geloof is ongeschokt. Hij bemoedigt. “Vannacht heeft een engel van God, wiens slaaf ik ben, en die ik vereer, bij mij gestaan en hij heeft gezegd: Wees niet bevreesd Paulus, want jij moet voor de keizer staan. En allen die meevaren heeft God u geschonken. Houd dus moed, mannen want het zal gaan zoals mij gezegd is.”
Na 2 weken komen ze bij land. En hoewel het schip breekt, komen allen, 276 man, veilig aan land. Ze zijn op Malta. De inwoners onthalen hen gastvrij.

Paulus geneest als apostel veel zieken op Malta. Over zendingswerk wordt niet gesproken. Na 3 maanden kunnen ze verder varen naar Rome. In Rome is al een gemeente. Als vandaar broeders hem tegemoet komen, krijgt Paulus weer moed. Gods werk is ook in Rome zichtbaar geworden!
Paulus mag met zijn bewaker op zichzelf wonen. Dat was het Romeinse recht. Hij kan ook de leidsmannen van de Joodse gemeente samenroepen bij hem Zij weten niets van zijn zaak, en willen graag van Paulus zelf horen wat zijn denkbeelden zijn, want ze weten wel dat de groep christenen overal tegenspraak vindt.
En Paulus vertelt ook hen van het Koninkrijk Gods in urenlange gesprekken. En ook onder deze geleerden komt de scheiding. Het opent de weg naar de prediking aan de heidenen. Paulus heeft het geprobeerd de Joden uit te leggen ook in Rome.
En Paulus verbleef de volle 2 jaar in zijn woning en ontving allen die bij hem kwamen. Ondanks de gevangenschap gaat de prediking ongestoord verder, want het Woord Gods is niet gebonden!

Het boek heeft een open einde. Paulus verkondigt het evangelie in Rome, maar het proces tegen hem wordt niet beschreven.

Handelingen der apostelen zou eigenlijk moeten heten:
Handelingen van de verhoogde Heiland, door Woord en Geest.